Ga direct naar de hoofdinhoud

HET KONIJN

Er zijn verschillende soorten konijnen. Ze verschillen van kleur, de groote, de vacht en ook de stand van de oren verschillen. Konijnen zijn klein en wegen ongeveer één à twee kilo. Een konijn staat bekend om zijn grote voortanden. Een konijn heeft namelijk twee grote snijtanden waarmee hij voedsel fijnmaalt.

NAAM KONIJNEN

Een vrouwtjeskonijn wordt een voedster of een moer genoemd, terwijl een mannetjeskonijn een ram of een rammelaar genoemd worden. Een klein pasgeboren konijntje wordt een lamprei genoemd. Een mannelijk konijn is wat groter en steviger dan een vrouwelijk konijn.

KONIJNEN IN HET WILD

De wilde konijnen komen oorspronkelijk uit Spanje, maar komen tegenwoordig in een groot deel van Europa voor. In Nederland leven ook konijnen in het wild. Deze konijnen zijn vaak donkerbruinachtig en hebben een wit staartje. Deze konijnen leven meestal in gebieden met veel zand en ze wonen in een hol. Het hol van een konijn heeft altijd twee uitgangen zodat een konijn altijd kan vluchten bij gevaar. Je kunt plaatjes laten zien van hollen tijdens je spreekbeurt konijnen.

ETEN EN DRINKEN

Tamme konijnen drinken water en hier zijn speciale drinkflesjes voor bij de dierenwinkel. Verder kun je konijnen speciaal konijnenvoer geven, maar het is ook mogelijk om het konijn verse groenten te geven. Het beste is dan om het konijn steeds verschillende soorten groenten tegelijk te geven, want in de natuur eten ze ook verschillend voedsel.

Wilde konijnen zijn natuurlijk aangewezen op het eten in de natuur. Deze konijnen eten gras, knollen en andere planten. Ook gaan ze wel eens akkers op om daar graan en kool te eten. De konijn in het wild eet eigenlijk heel gezond, want hij eet van alles wat. Neem wat voer mee om te laten zien tijdens je spreekbeurt konijnen.

WEETJES OVER KONIJNEN

  • Tanden van konijnen blijven doorgroeien tijdens hun leven. Dit is maar goed ook, want anders zou er door al het knabbelen maar weinig overblijven van de tanden.
  • Konijnen hebben voelsprieten. Met deze voelsprieten kunnen ze afstanden bepalen en hiermee kunnen ze voelen of er iets in de buurt van hun ogen komt.

Zebra’s zijn familie van de paarden en ezels.
Deze familie heet eenhoevige want dit is de enige familie op de wereld die één hoef aan de voet heeft.
Van deze familie is de Zebra het enige wilde dier nog.
Vroeger hebben ze wel eens geprobeerd om Zebra’s tam te maken zodat je ze net als een paard kon gebruiken.
Ze zijn erg vriendelijk maar als ze iets moeten, zijn ze erg agressief en eigenwijs.
Ook zijn de zebra’s kleiner en niet sterk genoeg om een kar te trekken of om op te rijden.
Zo komt het dat een Zebra nog steeds een wild dier is.

Zebra’s in Afrika

De zebra leeft in het wild in Afrika.
Het is een planteneter; hij eet vooral oud, hoog gras, maar soms ook blaadjes en struikjes.
Hij eet de hele dag door.
In de regentijd is er genoeg gras, maar als het erg droog is, moeten ze soms grote afstanden lopen om aan eten te komen.
De zebra drinkt 1 of 2 keer per dag, maar kan ook 2 dagen zonder drinken.

Zebra’s leven altijd met elkaar in een groep en is daarom een kuddedier.
Eén groep bestaat vaak uit 15 zebra’s.
Ongeveer 6 merries met veulentjes en een paar hengsten.
Soms zie je meerdere groepen met elkaar.
In zo’n groep is altijd agressief gedrag.
Hengsten gaan dan op hun achterpoten staan en trappen en bijten elkaar.
Dit doen ze om te laten zien wie de baas is en om indruk te maken bij de merries.

Voortplanting Zebra

 

Een merrie heeft maar een paar dagen per jaar zin om te paren, dit kan een hengst ruiken aan haar plas en moet er dan snel bij zijn. Een merrie is tussen de 11 en 13 maanden zwanger en krijgt bijna altijd één jong.
Als het veulentje geboren wordt gaat zij zich een paar dagen afzonderen.
Het veulentje weegt bij de geboorte ongeveer 35 kilo en heeft bruine strepen.
Binnen 10 minuten kan het op zijn benen staan en binnen 1 uur kan het lopen en rennen.
Het veulentje heeft lange benen anders valt hij te snel op voor de roofdieren.
Al na een paar dagen herkent hij zijn moeder aan haar strepen.
Na een maand eet hij gras, na 4 maanden krijgt hij zijn echte strepen en ongeveer een jaar drinkt hij bij zijn moeder.

Zo’n groep zebra’s leeft ook vaak samen met andere dieren zoals gnoes en struisvogels.
Zebra’s kunnen goed horen en ruiken, gnoes goed ruiken, en struisvogels goed zien.
De zebra heeft zelfs 2 organen om mee te ruiken.
Behalve zijn neus heeft hij ook het orgaan van Jacobsen.
Dit is een orgaan dat boven in zijn mond zit en als hij zijn bovenlip optrekt dan gebruikt hij dit orgaan om mee ruiken.
Het is het veiligst voor de zebra om bij de groep te blijven, want er is vaak wel één dier die de vijand hoort,ziet of ruikt.

Vijanden van de zebra

Als een zebra bedreigd wordt gaat hij op de vlucht.
Hij kan heel hard lopen; wel 60 km per uur.
De grootste vijand is de leeuw.
Een leeuw sluipt vaak heel stil naar de zebra toe en als hij dichtbij is bijt hij de zebra in de nek.
Als de zebra zijn vijand wel op tijd ziet, kan hij zichzelf goed verdedigen.
Met zijn tanden probeert hij te bijten, met zijn achterpoten schopt hij alle kanten op en zo kan hij dan goede trappen uitdelen.
Met een goeie trap kan hij de kaak van een leeuw verbrijzelen en een hyena ermee doden.

Zijn strepen zijn ook belangrijk.
Als een zebra in een groep staat kan een roofdier moeilijk zien, waar de ene zebra eindigt en de andere begint.Wanneer het heel heet is,is het nog moeilijker.
De lucht gaat dan door de warmte trillen en dan is de zebra helemaal niet meer goed te zien voor een roofdier.

Soorten Zebra’s

Je denkt dat alle zebra’s op elkaar lijken, maar toch zijn ze allemaal anders.
Aan de strepen kun je ook de 3 soorten zebra’s herkennen.
Je hebt de Grevy-zebra, de Bergzebra, en de Steppenzebra.

De Grevy-zebra:
De Grevy-zebra is het grootste soort zebra, ze hebben smalle strepen, een witte buik en een zwarte streep over de rug.
Ook hebben ze een bruine vlek op de neus en je kunt ze goed herkennen aan hun grote ronde oren.
De Grevy-zebra leeft in het oosten en zuiden van Afrika, hij woont daar op de savanne en droge graslanden.De Grevy-zebra komt in het wild bijna niet meer voor.

De Bergzebra:
De Bergzebra is het kleinste soort, ze hebben brede strepen en die lopen niet door op de buik. Ze hebben een huidplooi onder aan de keel
De Bergzebra leeft in het westen van zuid Afrika, hij woont in de bergen en heeft harde hoeven zo kan hij goed klimmen.
De bergzebra komt steeds minder voor.
In een gebied dat 4x groter is dan Nederland, leefde 50 jaar geleden meer dan 60.000 Bergzebra’s, en nu zijn dat er nog maar 12.000 Bergzebra’s.

De Steppenzebra:
De Steppenzebra heeft brede strepen en de strepen lopen door over hun buik.
Sommige hebben bruine tussenstrepen
De Steppenzebra leeft in Oost-Afrika en het zuiden daarvan, hij woont daar op de savanne en graslanden.
De Steppenzebra komt het meeste voor.

Leuk om te weten

· Sommige zebra’s hebben darmen die wel 17 keer zo lang zijn als hun eigen lichaam. Deze lange darmen hebben ze nodig om het taaie, droge gras te verteren.
· De zebra kan in het wild 25 jaar worden en in de dierentuin 40 jaar oud.
· Het geluid wat een zebra maakt zit tussen het hinniken van een paard en het balken van een ezel.
· Met poep en plas geeft een zebra het gebied aan waar hij de baas is.
· Ook een zebra heeft gezichtsuitdrukkingen.

kattjes   

 

 

 

 

 

 

 

Levensduur

De levensduur van huiskatten komt ongeveer overeen met die van de andere katachtigen. Na tien jaar kan een kat als bejaard worden beschouwd. Katten sterven gemiddeld na veertien tot zestien jaar. De oudste Nederlandse kat werd 28 jaar oud[1]. De oudste kat ter wereld werd 38 jaar en 1 dag oud. In het algemeen zijn leeftijden moeilijk te controleren, omdat katten geen geboortebewijs hebben.Raskatten hebben dit wel, maar worden gemiddeld minder oud, ongeveer 10-13 jaar. Dit komt door aangeboren ziekten die bij raskatten vaker voorkomen ten gevolge van een hoge inteeltcoëfficiënt. Een soortgelijk beeld ziet men overigens ook bij rashonden.[2]

Anatomie

 
Schedel van een kat.
 
 
Kattenklauw
 
Kattenoog
 
Een kat met twee verschillende kleuren ogen

Het skelet van een kat bestaat uit 250 botten. Net als alle andere carnivoren (vleeseters) zijn katten toegerust om op prooien te jagen en ze te verslinden. Katten hebben een vrij ronde kop en een korte snuit, grote ogen, gevoelige snorharen bij de bek en scherpe omhoogstaande oren. Ze hebben korte brede kaken met sterke knipkiezen en scherpe snijtanden. Katten hebben in het totaal 30 tanden. In de bovenkaak hebben ze 6 snijtanden, 2 hoektanden, 6 voorkiezen en 2 kiezen. In de onderkaak hebben ze 6 snijtanden, 2 hoektanden, 4 voorkiezen en 2 kiezen. Hun kaak kan geen kauwbeweging maken, de kat verscheurt zijn voedsel en gebruikt het zeer sterke maagzuur om het voedsel te verteren. De tong is bedekt met een laag ruwe papillen die goed van pas komt bij de persoonlijke verzorging. De tong van de poes is ruwer dan die van de kater; zo kan ze haar jongen beter wassen.

Katten hebben vijf tenen aan beide voorpoten en vier tenen aan de achterpoten. De eerste teen bevindt zich wat hoger op de voorpoot dan de andere vier tenen. Deze eerste teen raakt tijdens het lopen de grond niet, maar wordt wel gebruikt bij de verzorging en bij het grijpen van een prooi. Aan de uiteinden van de tenen bevinden zich sterke, scherpe, gebogen klauwen. De nagels kunnen worden ingetrokken. Dit mechanisme is een onderscheidend kenmerk van de kattenfamilie Felidae. Door de nagels te scherpen aan een boom (in huis een krabplank ofkrabpaal) houdt een kat zijn nagels scherp. De zijkanten die uitgroeien komen dan los te zitten en worden met de tanden verwijderd waardoor de nagel op lengte blijft met een scherpe punt.

Een kat heeft een lange staart die hij gebruikt om in evenwicht te blijven en bij sociale communicatie. Het bewegingsstelsel is extreem soepel met een flexibele ruggengraat, waardoor katten erg lenig zijn. Katten kunnen zich bij een val zo keren dat ze op de poten terechtkomen. Om "op zijn pootjes terecht te komen" moet de kat wel de ruimte en tijd krijgen om zich te keren.

 
De pupillen van een kat vergroten sterk bij weinig licht. Het reflecterend weefsel is goed zichtbaar.

Zintuigen

De meeste katten hebben een goed gezichtsvermogen en kunnen goed in het donker zien, doordat zij meerstaafjes dan kegeltjes in hun ogen hebben. Hierdoor kunnen ze goed waarnemen in de schemer, maar bij volkomen duisternis zien ze niets. Hun vermogen kleuren te onderscheiden is daarentegen zwak, maar katten zijn niet kleurenblind.[3] Op de achterwand van het oog bevindt zich reflecterend weefsel (het tapetum lucidum), waardoor de ogen van een kat fonkelen in het donker. Het gezichtsveld van een kat bedraagt 285°, versus een mens 210°.[3] De irissen hebben een verticale spleet als vorm. Elk oog wordt beschermd door een derde ooglid, ook wel knipvlies genoemd.

Katten kunnen uitstekend horen en zijn in staat frequenties tot 64 kHz waar te nemen. Ter vergelijking: een gemiddeld mens hoort frequenties tot 20 kHz. De oren kunnen 180° draaien. Hierdoor kunnen geluiden goed gelokaliseerd worden.

De snorharen hebben een functie bij het instinctief doorbijten van de ruggengraat van de prooi. Katten zien op korte afstand niet scherp en vertrouwen daarom op hun uiterst gevoelige snorharen en de lange haren boven de ogen wanneer zij een prooi hanteren. Katten zonder snorharen kunnen de "coup de grâce" (het doden van de prooi) moeilijk uitvoeren. Katten hebben ook snorharen achter op hun voorpoten [4].

De haren in de vacht zijn afzonderlijk verbonden met een mechanoreceptor. Hierdoor kan informatie over de omgeving naar de hersenen worden gestuurd. De meeste katten vinden het daardoor ook prettig om aangehaald en geaaid te worden.[3]

Een kattenneus bevat ongeveer 20 miljoen geurcellen, vier keer zo veel als bij een mens. De neus is vooral afgestemd op stikstof, omdat deze stof zich in rottend voedsel bevindt. Hierdoor is de kat ook goed in staat om voedsel te beoordelen op eetbaarheid.[3] Katten zijn van nature geen aaseters. Het reukvermogen van katten is niet zo goed ontwikkeld als dat van honden.

Een kat heeft ongeveer 500 smaakpapillen, terwijl een mens er ruim 9000 heeft.[3] Katten laten zich dan ook voornamelijk leiden doorgeuren. Katten kunnen zout, zuur en bitter van elkaar onderscheiden, maar hebben geen voorkeur voor zoet.[5]

Gedrag

Jagen

Katten zijn erg beweeglijk: ze kunnen snel korte afstanden afleggen en het zijn goede klimmers. In tegenstelling tot honden, hebben katten een beperkt uithoudingsvermogen. Katten houden meestal niet van water, maar kunnen wel goed zwemmen. Ze jagen op hun prooi door ze geruisloos te besluipen. Als de kat dicht genoeg genaderd is, bespringt hij de prooi en vangt hij het dier met zijn scherpe tanden en klauwen. De neiging om langdurig met de gewonde prooi te spelen wordt bij alle katachtigen waargenomen, ook bij de gedomesticeerde kat. Het is een middel om de prooi onschadelijk te maken zonder zelf verwondingen op te lopen als deze zich door bijten verdedigt.

Rusten

Naast het jagen kunnen katten ook erg luieren. Ze houden ervan om lekker in de zon te zitten of op een warme ondergrond te gaan slapen. Dit is ook nodig, omdat die tijd de kat de mogelijkheid geeft om de relatief grote en voedzame prooi te verteren. De gemiddelde kat slaapt of luiert tweemaal zo veel als een mens, 16 tot 18 uur, en is dus het overgrote deel van de dag niet wakker.[6]

Hygiëne

 
Kat die zichzelf wast

Net als leeuwen en tijgers likken ze zichzelf schoon met hun tong; vaak doen ze dit voor het slapen gaan, of na het wakker worden. De instinctieve verzorging van de vacht met tanden, speeksel met enzymen en vet uit een klier boven de staart vergt ongeveer twee uur per dag. Hierdoor slikt de kat veel losse haren in. Deze verlaten gewoonlijk via het darmkanaal het lichaam. Als de kat echter te veel haren in korte tijd binnenkrijgt, kan er een haarbal ontstaan die wordt uitgebraakt.[3] Dit kan worden voorkomen door de kat goed te borstelen, speciale anti-haarbalsnoepjes te voeren, kattengras te geven of door de kat een beetje vette vis te voederen (zoals tonijn). Langharige katten hebben overigens meer last van haarballen dan kortharige. Als een kat vergeefse pogingen doet om een haarbal uit te braken, kan er sprake zijn van verstopping. Dit kan levensbedreigend zijn.

Sociaal gedrag

 
Winston Churchill en Blackie op HMS Prince of Wales. Blackie was de mascotte van het oorlogsschip. 1941.

De gedomesticeerde kat is een sociaal flexibele soort.[7] In een omgeving met verspreide voedselbronnen en lage populatiedichtheid leven katten solitair of in kleine groepjes van nauw verwante vrouwtjes. De grotere, niet-overlappende territoria van katers beslaan twee of meer van de kleinere territoria van de vrouwtjes.[8] [9] [10] [11] [12] [13] [14] In een stedelijke omgeving of bij boerderijen zijn de voedselbronnen meer gecentraliseerd, wat leidt tot het vormen van groepen met een hoge dichtheid bestaande uit meerdere mannetjes en meerdere vrouwtjes met kleinere, overlappende home-ranges en een promiscue paarsysteem.[15] [16] [17] [18] [7] [19] [13] [14]Afhankelijk van de beschikbaarheid van voedselbronnen, zijn katten dus solitaire of sociale dieren. Indien ze de mogelijkheid hebben, zullen vrouwtjes familiegroepen vormen. Hun dochters blijven bij hen en krijgen op hun beurt kittens, zodat een matriarchale groep ontstaat. Zonen verlaten de groep wanneer ze geslachtsrijp worden.

Op basis van het natuurlijke gedrag is het dus aan te raden meerdere verwante katten te houden als huisdieren, zeker wanneer de katten binnen worden gehouden en geen contact kunnen leggen met andere katten uit de buurt. [20]

Geluiden

Katten maken een laag zoemgeluid dat spinnen wordt genoemd. Het is een manier om allerlei gevoelens uit te drukken, van angst en pijn tot tevredenheid.[3] In de omgang met mensen is het meestal een teken dat ze tevreden zijn, soms dat ze hulp nodig hebben. Dit geluid wordt voortgebracht door trillingen van de stembanden.[5] Spinnen is een communicatiemiddel tussen kittens en moeders. Kittens kunnen spinnen als ze een week oud zijn.

Daarnaast kan een kat miauwen, mauwen, grommen, sissen, blazen, schreeuwen, piepen, klappertanden, kermen en trillen. Klik  hier (info / uitleg) om spinnen en mauwen te horen.

Communiceren met katten

Er zijn verschillende communicatieve signalen van katten die zij ook begrijpen wanneer ze door mensen gegeven worden. Communiceren met een kat zal de band met de kat wederzijds versterken. Enkele voorbeelden: [21]

  • Blazen: het sissende blaasgeluid geeft aan dat een kat angstig is en niet benaderd wil worden. Zelf als 'straf' blazen naar een kat heeft dus geen zin, je geeft dan het signaal dat je zelf bang bengt en met rust gelaten wil worden.
  • Ogen samenknijpen: staren is in kattentaal een bedreiging. Het samenknijpen van de ogen betekent dat een kat niets kwaads in de zin heeft en dient dus om agressie te voorkomen.
  • Spinnen en tegelijk nagels uitsteken: de kat bedoelt daarmee dat hij zich veilig voelt bij de mens. Als ze het niet doet, is het niet zo erg. Elke kat doet andere dingen om te laten zien dat ze zich veilig voelt.
  • Beide ogen langzaam sluiten: staren is in kattentaal een bedreiging. Het knipogen betekent dat een kat niets kwaads in de zin heeft en dient dus om agressie te voorkomen.
  • Kopjes geven: in de wangen van de kat zitten geurklieren. Door kopjes te geven tegen voorwerpen, markeert de kat dat voorwerp. De geur geeft het signaal dat alles 'veilig' is en geeft een gevoel van 'thuis'. Dit is dezelfde geurstof als in kalmeringsspray's zoals Feliway zit, vandaar dat dit een ontspannend signaal is voor katten. Katten die angstig zijn en stress hebben, kunnen excessief veel kopjes gaan geven. Zij willen zichzelf voortdurend bevestigen dat alles veilig is.
  • Vastnemen bij het nekvel: in tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, neemt een moederpoes haar kittens nooit in het nekvel. Ze neemt ze wel vast in de nekspier. Ze doet dit tot ongeveer 3 weken ouderdom, wanneer ze de kittens naar een nieuw nest brengt of terug naar het nest wil brengen. In het nekvel nemen om te straffen doen katten nooit. Enkel bij de paring zal de kater de poes in het nekvel bijten om haar te fixeren.

Voortplanting

 
 
Paring

Paring

Vrouwelijke katten of poezen zijn gemiddeld twee tot drie keer per jaar krols, maar dit is heel variabel: sommige poezen worden het hele jaar door om de twee weken krols, andere worden maar één keer per jaar krols. Dit komt het meest voor tussen januari en april, maar ook tussen juni en september. Doordat de hormonale cyclus afhankelijk is van het aantal uren daglicht, is een poes tussen oktober en december zelden krols. Katten die vaak binnen zijn in goed verlichte huizen, zullen toch het hele jaar door krols worden.[22] Een cyclus duurt ongeveer twee weken. Hierin is de poes echter maar twee tot vier dagen vruchtbaar. Zij zal in deze periode duidelijk kenbaar maken dat zij krols is door te roepen naar potentiële paringskandidaten. In deze periode kan een poes ook urine gaan sproeien. De kater kan deze roep beantwoorden, waarna ze van elkaar weten dat er van beide kanten goedkeuring is.

Bij de paring bijt de kater de poes in de nek en ejaculeert snel nadat zijn penis in de vagina zit. Het uiteinde van de penis is bedekt met weerhaakjes die de ovulatie stimuleren. Een poes en kater kunnen meermalen per dag paren. Een poes kan ook door meer dan één kater worden bevrucht. Een nest kittens kan ook van verschillende vaders zijn.[3]

Zwangerschap

Een poes is gemiddeld negen weken (65 dagen) zwanger. Na drie weken worden haar tepels rozerood, waarna het nog eens zes weken duurt voordat het dier bevalt. De gewichtstoename bedraagt gemiddeld een kilo.

 
 
Kittens

Bevalling

De weeën beginnen ongeveer zes uur of meer voor de bevalling. De poes begint sneller adem te halen en gaat spinnen. De weeën nemen toe van ieder half uur tot elke vijftien seconden. Daarna komt de eerste kitten tevoorschijn. De poes zal daarna de navelstreng doorbijten en de kitten gaan likken om zodoende de ademhaling op gang te brengen. Het is van belang dat de kitten drinkt van de colostrum, de eerste melk.

Voor een poes die als huisdier wordt gehouden, kan twee weken voor het werpen een werpdoosworden neergezet. Na de bevalling kan de poes uit de doos, maar de kittens niet.

Kittens

 
Poes die haar jongen zoogt
 
 
Kittens in schijngevecht
 
Kitten van acht weken, voor het eerst buiten

Een jong katje heet een kitten. Ongeveer 66% van de kittens komt ter wereld met de kop eerst. Bij de geboorte is een kitten doof en blind. Na ongeveer 10 dagen kan een kitten zien en na 17 dagen werkt het gehoor. Na vier tot vijf weken gaat een kitten over op vast voedsel. Dit is ook het moment waarop de moederpoes de kittens leert om gebruik te maken van de kattenbak. Toch blijven veel kittens zogen bij de moeder tot ze minstens een maand of 6 zijn, indien ze de kans krijgen.[23]

Onderstaande tabel geeft de ontwikkeling van een kitten weer.

TijdOmschrijving1 weekogen open, begin van focussen2 wekenkan kruipen maar nog niet op poten staan17 dagenkan horen3 wekenbegint te lopen4 wekenbegint met vast voedsel6 wekenogen beginnen definitieve kleur te ontwikkelen8 wekenheeft volledig melkgebit8 wekenjachttechniek wordt geoefend[3]8 wekencastratie mogelijk[24]9 wekeneerste vaccinatie panleukopenie en rhinotraceitis/calici13 wekentweede vaccinatie18 wekenwisseling melkgebit naar blijvend gebit24 wekenstandaardleeftijd castratie

In de jeugd van de kat is er een periode, tussen de 12e en 60e dag, waarin katten open staan voor indrukken en lessen. Deze inprentingsperiode is cruciaal voor het gedrag van de volwassen kat. Heeft de kat in deze tijd geen mensen gekend, dan zal deze moeilijk te socialiseren zijn.

Als een moederpoes de uitgekozen veilige nestplaats niet veilig genoeg vindt, kan ze de jongen zo nu en dan naar een andere plek brengen. Dit doet zij instinctief. Hierbij worden de jongen aan het nekvel gedragen. Een ook bij volwassen katten aanwezige reflex zorgt ervoor dat de dieren dan compleet ontspannen zijn.

Tegenwoordig worden de meeste kittens rond de 8 weken naar de nieuwe eigenaar gedaan. Wettelijk gezien mogen kittens vanaf 7 weken bij de moeder weg gehaald worden. Het is echter aan te raden de kittens veel langer bij de moeder te laten, zeker tot zij een week of 15 zijn. De kittens zijn tegen die tijd twee maal gevaccineerd en hun natuurlijke weerstand is voldoende opgebouwd.

Medisch

 
Poes die door een dierenarts van een ontsteking wordt verlost
 
Kotsende poes

Vergiftiging

Sommige stoffen die voor mensen niet giftig zijn, kunnen schadelijk zijn voor katten:[3]

olifanten

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Classificatie

Voor een complete lijst van levende en uitgestorven soorten uit de familie Elephantidae, zie: Taxonomie van de olifanten.

Olifanten behoren tot de familie Elephantidae en de orde Proboscidea. Hun naaste verwanten zijn de bestaandezeekoeien en de klipdassen waarmee ze de clade Paenungulata vormen binnen de superorde Afrotheria. Olifanten en zeekoeien worden verder geklasseerd in de clade Tethytheria. Traditioneel worden twee olifantensoorten erkend: de Afrikaanse olifant (Loxodonta africana) uit subsaharisch Afrika en de Aziatische olifant (Elephas maximus) uit Zuid- en Zuidoost-Azië. Afrikaanse olifanten hebben grotere oren, een ronde rug, meer gerimpelde huid, en twee vingerachtige uiteinden op het puntje van hun slurf. De Aziatische olifant heeft kleinere oren, een bolle rug, gladdere huid en één vingerachtig uiteinde op de punt van de slurf. De ronde ribbels op de kiezen zijn smaller bij de Aziatische olifanten, terwijl die van de Afrikaanse olifant meer ruitvormig zijn. Daarnaast heeft de Aziatische olifant bulten op zijn kop en een aantal depigmentatievlekken.

Er bestaat twijfel over over de verwantschap van de uitgestorven Mammuthus enerzijds en Loxodonta of Elephas anderzijds. Sommige DNA-studies suggereren dat Mammuthus meer verwant is aan Loxodonta, andere wijzen op een nauwere verwantschap met Elephas. Morfologie ondersteunt de hypothese dat Mammuthus en Elephas zustertaxa vormen, terwijl vergelijkingen van de eiwitten albumine en collageen aantonen dat alle drie de geslachten in gelijke mate verwant zijn aan elkaar. Sommige wetenschappers geloven dat een gekloond embryo van een mammoet zich zou kunnen ontwikkelen in debaarmoeder van een Aziatische olifant.

Carl Linnaeus beschreef in 1758 als eerste het genus Elephas en een olifant uit het toenmalige Ceylon) onder de binomiale naam Elephas maximus. In 1798 classificeerde Georges Cuvier de Indische olifant onder de binomiale naam Elephas indicus. Zoöloog Coenraad Jacob Temminck beschreef de Sumatraanse olifant in 1847 onder de binomiale naam Elephas sumatranus. Zoöloog Frederick Nutter Chasen classificeerde ze alle drie als ondersoorten van de Aziatische olifant in 1940.

Verschillen tussen soorten en ondersoorten

Aziatische olifanten variëren geografisch in hun kleur en de mate van depigmentatie. De Sri Lankaanse olifant (Elephas maximus maximus) leeft in Sri Lanka, de Indische olifant (E. m. indicus) is inheems in het vasteland van Azië (op het Indische subcontinent en Indochina), en de Sumatraanse olifant (E. m. sumatranus) komt voor op Sumatra. Een betwiste ondersoort, de Borneodwergolifant, leeft in het noorden van Borneo en is kleiner dan alle andere ondersoorten, maar met grotere oren, een langere staart, en rechte slagtanden. Hij werd beschreven door de zoöloog Paules Edward Pieris Deraniyagala in 1950 als Elephas maximus borneensis, met als zijn type een illustratie in National Geographic Magazine. Het werd vervolgens ondergebracht bij E. m. indicusof E. m. sumatranus. Resultaten van een in 2003 gehouden genetische analyse geeft aan dat hij zich ongeveer zo'n 300.000 jaar geleden van zijn verwanten op het vasteland scheidde. Uit een studie uit 2008 bleek dat Borneodwergolifanten niet inheems zijn op het eiland, maar dat ze er in 1521 werden gebracht door de sultan van Sulu uit Java, waar de olifanten nu uitgestorven zijn.

De Afrikaanse olifant werd voor het eerst beschreven door de Duitse natuuronderzoeker Johann Friedrich Blumenbach in 1797 als Elephas africana. Van het geslacht Loxodonta werd algemeen aangenomen dat het benoemd werd door Georges Cuvier in 1825. Cuvier spelde het eigenlijk als Loxodonte. Een anonieme auteur romantiseerde de spelling als Loxodonta en de International Code of Zoological Nomenclature erkent dit als de juiste autoriteit. In 1942 werden er 18 ondersoorten van de Afrikaanse olifant erkend door Henry Fairfield Osborn, maar morfologische gegevens deden het aantal dalen en sinds dejaren 90 worden er nog slechts twee erkend: de savanneolifant (L. a. africana) en de bosolifant (L. a. cyclotis). Die laatste is over het algemeen kleiner, heeft kleinere en meer afgeronde oren, dunnere en rechtere slagtanden, een andere vorm van kop en zijn leefgebied is beperkt tot de beboste gebieden van West- en Centraal-Afrika. Een studie uit 2000 pleitte voor de erkenning van de twee vormen in afzonderlijke soorten op basis van verschillen in de morfologie van de schedel. DNA-onderzoek gepubliceerd in 2001 en 2007 stelde ook vast dat zij verschillende soorten waren, terwijl studies in 2002 en 2005 tot de conclusie zijn gekomen dat ze dezelfde soort zijn. Een studie uit 2010 ondersteunde dan weer de aparte status. Er wordt nog steeds gedebatteerd over de kwestie. De derde editie van Mammal Species of the World beschouwt de twee vormen als volwaardige soorten en benoemt geen ondersoorten voor Loxodonta africana. Deze benadering werd niet overgenomen door het World Conservation Monitoring Centre van het VN-Milieuprogramma, noch door de IUCN, die beide L. cyclotis als synoniem zien van L. africana.

Er zijn voorts aanwijzingen dat olifanten uit West-Afrika een aparte soort vormen, maar dit wordt betwist. De dwergolifant uit het Congobekken, die door sommigen als aparte soort, Loxodonta pumilio, beschouwd worden, zijn waarschijnlijk bosolifanten, waarvan de geringe afmetingen en/of vroege volwassenheid te wijten zijn aan omgevingsfactoren.

Evolutie en uitgestorven verwanten

 
Moeritherium

Er zijn meer dan 161 uitgestorven soorten en drie grote adaptieve radiaties vastgesteld in de orde van deProboscidea. De eerste slurfdieren, de Afrikaanse Eritherium en Phosphatherium uit het Laat-Paleoceen en Vroeg-Eoceen luidden de eerste adaptieve radiatie in. In het Eoceen kwamen Numidotherium, Moeritherium enBarytherium voor in Afrika. Deze dieren waren relatief klein en semi-aquatisch. Later ontstonden er genera zoalsPhiomia en Palaeomastodon, de laatstgenoemde bewoonde waarschijnlijk bossen en bossen met een lagere dichtheid. De diversiteit van Proboscidea nam af tijdens het Oligoceen. Een opmerkelijke soort uit dit tijdperk wasEritreum melakeghebrekristosi uit de hoorn van Afrika, die een voorouder geweest zou kunnen zijn van velen latere soorten. De tweede diversificatie vond plaats tijdens het begin van het Mioceen met de verschijning van deDeinotheriidae en de mastodont. De eerstgenoemde was verwant aan Barytherium en leefde in Afrika en Eurazië, terwijl de laatstgenoemde mogelijk afstamde van Eritreum en zich verspreidde naar Noord-Amerika.

De tweede adaptieve radiatie werd vertegenwoordigd door de verschijning van de Gomphotheriidae in het Mioceen, die mogelijk zijn geëvolueerd uit Eritreumen oorspronkelijk uit Afrika komen, waarna ze zich over elk continent verspreidden, behalve Australië en Antarctica. Leden uit deze groep warenGomphotherium en Platybelodon. De derde adaptieve radiatie begon in het late mioceen en leidde tot het ontstaan van de Elephantidae, die afstamden van de Gomphotheriidae en hen langzaam vervingen. De Afrikaanse Primelephas gomphotheroides leidde tot de Loxodonta, Mammuthus en Elephas. Loxodontatakte als eerste af, op de grens van de overgang tussen het mioceen en plioceen, terwijl Mammuthus en Elephas zich later afsplitsten tijdens het vroegeplioceen. Loxodonta bleef in Afrika, terwijl Mammuthus en Elephas zich verspreidden naar Eurazië en en Mammuthus Noord-Amerika bereikte. Op hetzelfde moment verspreidden de Stegodontidae, een andere groep van slurfdieren die afstamden van de Gomphotheriidae, zich door Azië, waaronder het Indische subcontinent, China, Zuidoost-Azië en Japan. Mammutidae bleven evolueren tot nieuwe soorten, zoals de Amerikaanse mastodont.

 
Wolharige mammoet

Aan het begin van het pleistoceen ervoeren Elephantidae een hoge hoeveelheid soortvorming. Loxodonta atlantica werd de meest voorkomende soort in Noord- en Zuid-Afrika maar werd later in het pleistoceenvervangen door Elephas iolensis. Alleen toen Elephas uit Afrika verdween, werd Loxodonta weer dominant, maar deze keer in de vorm van de moderne soort. Elephas diversifieerde in nieuwe soorten in Azië, zoals Elephas hysudricus en Elephas platycephus, waarbij de laatstgenoemde mogelijk de voorouder is van de moderne Aziatische olifant. Mammuthus evolueerde tot vele soorten zoals de welbekende wolharige mammoet. In het latepleistoceen verdwenen de meeste slurfdieren tijdens de kwartaire ijstijd, die wereldwijd meer dan 50% van de genera die meer dan 5 kilogram wogen doodde.

Slurfdieren ervoeren vele evolutionaire veranderingen, zoals een toename in grootte, dat leidde tot veel grote soorten die tot wel 4 meter hoog werden. Zoals met andere megaherbivoren, inclusief de uitgestorvenSauropoda, ontwikkelde het grote formaat van olifanten zich waarschijnlijk zodat ze konden overleven op vegetatie met een lage voedingswaarde. Hun ledematen werden langer en hun voeten korter en breder. Eerdere slurfdieren ontwikkelden langere onderkaken en kleinere crania, terwijl de meer geavanceerdere kortere onderkaken ontwikkelden, die het zwaartepunt van het hoofd verschoven. De schedel groeide groter, specifiek het cranium, terwijl de nek korter werd om betere ondersteuning aan de schedel te bieden. De toename in grootte leidde tot de ontwikkeling en verlenging van de slurf om bereik te bieden. Het aantal premolaren, snijtanden en hoektanden nam af. De wang tanden (molaren en premolaren) werden groter en gespecialiseerder. De bovenste tweede snijtanden groeiden tot slagtanden, welke varieerden in vorm van recht, tot gebogen (zowel naar boven als naar onderen), tot spiraalvormig, afhankelijk van de soort. Sommige slurfdieren ontwikkelden slagtanden vanuit hun lagere snijtanden. Olifanten behouden bepaalde eigenschappen van hun aquatische voorouders zoals hun middenooranatomie en de interne testikels van de mannetjes.

Er heeft wat discussie plaatsgevonden het verwantschap tussen Mammuthus en Loxodonta of Elephas. Sommige DNA-studies suggereren dat Mammuthusnauwer verwant is aan Loxodonta, terwijl anderen erop wijzen dat dit het geval is bij Elephas. Een analyse van het complete profiel van het mitochondriale genoom van de wolharige mammoet (afgenomen in 2005) ondersteunt de hypothese dat Mammuthus meer verwant is aan Elephas. Morfologisch bewijs ondersteunt dat Mammuthus en Elephas zustertaxa zijn, terwijl vergelijkingen van de eiwitten albumine en collageen aanwijzen dat alle drie de genera even verwant zijn aan elkaar. Sommige wetenschappers geloven dat er ooit een gekloond mammoetembryo geplaatst kan worden in de baarmoeder van een Aziatische olifant.

Intelligentie

Zie Intelligentie bij olifanten voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

 
 
Deze olifant gebruikt een band om bij zijn voedsel te komen. Dit is een teken van een hoge intelligentie.

Olifanten behoren tot de intelligentste dieren. Een groot aantal van de typische gedragspatronen van olifanten wijzen op hoge intelligentie: rouw, leren, zorgen voor andermans jongen, mimiek, kunst, spelen, humor, altruïsme, het gebruik van werktuigen, medelijden, zelfbewustzijn, geheugen en mogelijk taal.

Men zegt wel eens dat iemand een olifantengeheugen heeft, en terecht, want het geheugen van een olifant is uitstekend. In het Engels zegt men wel: an elephant never forgets.

Kenmerken

Huid

 
 
In deze video is te zien hoe olifanten stof over hun lichaam gooien om een beschermende laag te creëren.
 
Savanneolifanten die een modderbad nemen.

De huid van een olifant is over het algemeen erg ruig, zo'n 2,5 cm dik op de rug en delen van het hoofd. De olifant wordt hierom ook wel dikhuid genoemd. De huid rond de mond, anus en de binnenkant van de oren is aannemelijk dunner. Olifanten hebben een typische grijze huid, maar Afrikaanse olifanten zien er bruin of roodachtig uit na het zwelgen in gekleurde modder. Aziatische olifanten hebben een aantal depigmentatievlekken, in het bijzonder op het voorhoofd en de oren en de gebieden daar omheen. Kalveren hebben bruinachtig of roodachtig haar, in het bijzonder op het hoofd en op de rug. Wanneer olifanten ouder worden, wordt hun haar donkerder en dunner, maar het haar op het einde van de staart, de kin, genitaliën en de gebieden rond de ogen en ooropeningen blijft dikker. Normaal gesproken is de huid van een Aziatische olifant bedekt met meer haar dan zijn Afrikaanse tegenhanger.

Een olifant gebruikt modder als zonnebescherming, waarbij hij zijn huid beschermt tegen ultraviolet licht. Desondanks het feit dat de huid van een olifant erg dik is, is hij erg gevoelig. Zonder regelmatige modderbaden om het te beschermen tegen verbranding, insectenbeten en vochtverlies, kan de huid van een olifant ernstige schade oplopen. Na het baden gebruikt de olifant gewoonlijk zijn slurf om stof over zijn lichaam te blazen. Dit droogt op en vormt een beschermde laag. De modder blijft later nog vooral in de rimpels van de huid hangen, wat de olifant nog een tijd fris houdt. Olifanten hebben moeite warmte te verliezen door hun huid omdat ze een lage oppervlakte-inhoudratio hebben, die vele malen kleiner is dan die van een mens. Er zijn zelfs olifanten geobserveerd die hun poten optilden, waarschijnlijk om te proberen hun zolen vrij te stellen aan de lucht.

Tanden

Olifanten hebben meestal 26 tanden: de snijtanden, die bekendstaan als de slagtanden, 12 premolaren en 12 molaren (kiezen). In tegenstelling tot de meeste zoogdieren die met melktanden beginnen en deze vervolgens vervangen door een enkele vaste set van volwassen tanden, zijn olifanten polyphyodontedieren die een cyclus van tandrotatie hebben gedurende hun hele leven.[2] De nieuwe maaltanden ontstaan in het lamina dentalis. Ze groeien aan de achterkant aan en schuiven steeds een plaats op tot ze de voorste zijn, waarna ze uitvallen om weer plaats te maken voor een nieuwe tand. Dit gebeurd ongeveer zes keer gedurende het leven van een olifant. De eerste serie tanden wordt gewisseld op twee- tot driejarige leeftijd, de tweede serie op vier tot zes jaar, de derde set op 9- tot 15-jarige leeftijd, de vierde wisseling op 18 tot 28 jaar, de vijfde keer op ongeveer 40-jarige leeftijd, en de zesde en laatste set kiezen is voor de rest van het leven.

Verwijzing

  1. Omhoog NOS. "20.000 olifanten Afrika afgeslacht", 13 juni 2014.
  2. Omhoog (en) Thai Elephant Conservation Center. Elephant’s teeth (17 september 2012)

 

'

hondjes

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Afstamming

 
De wolf is de voorvader van de hond

Volgens genetisch onderzoek (1997) zijn er op grond van verschillen in het mitochondriaal DNA vier verschillende groepen hondenrassen te onderscheiden, die mogelijk het resultaat zijn van vier verschillendedomesticaties.[1]

Wel is duidelijk dat de hond afstamt van de wolf (Canis lupus) en niet van de coyote, de jakhals of een anderehondachtige: de verschillen van hond en wolf met al deze soorten zijn veel groter dan die tussen hond en wolf onderling. De grijze wolf komt, althans kwam, over een groot verspreidingsgebied voor in Noord-Amerika, Europaen Azië. Het is op grond van de genetische analyse niet duidelijk of de hond nog van een specifieke ondersoort van de wolf afstamt, zoals de Perzische wolf (C. lupus pallipes), omdat die bij de gebruikte methode genetisch niet te onderscheiden was van de andere typen wolven.

Groep één van de vier door Vila onderscheiden categorieën is weer in verschillende takken onder te verdelen, waarvan een zuidoostelijke tak onder andere de Australische dingo bevat, een primitieve hond die ook in het wild leeft en zich van de meeste gedomesticeerde honden onder meer onderscheidt door een jaarlijksevoortplantingscyclus.

Genetisch onderzoek naar verschillen in het mitochondriale DNA van de hond toont een nagenoeg identieke (0,2% verschil) basenvolgorde met die van de grijze wolf, wijzend op een directe afstamming in het (evolutionairgezien) recente verleden. Het verschil tussen wolven en coyotes was met 4% veel groter.[2]

Domesticatie

Het recentste onderzoek toont aan dat de domesticatie van de hond mogelijk al zo'n 14.000[3] à 15.000 jaar geleden had plaatsgevonden in het Verre Oosten.[4][5] Speculatievere vondsten zijn 31.000 tot 36.000 jaar oud.[6] Begin 21ste eeuw is een schedel die in de jaren 1860 gevonden is in de Belgische grotten van Goyet (Gesves) geïdentificeerd als die van een paleolithische hond.[7] Daarmee zou het ca. 31.700 jaar oude fossiel meteen ook het oudste tot nog toe gevonden gedomesticeerde dier zijn: de hond zou eerder gedomesticeerd zijn dan gelijk welk ander dier.[8] Onderzoek uit 2015 verwierp op basis vanmorfologische argumenten dat de Belgische vondst een hond betreft,[9] maar het oorspronkelijke team publiceerde op zijn beurt een weerlegging.[10] Oudere schattingen gingen uit van een begin van de domesticatie rond 40.000-100.000 jaar geleden.[4]

De vraag is hoe en waarom de wolf tot huishond werd (Canis lupus familiaris). In de late laatste ijstijd veranderden de leefomstandigheden van de mens. De dominante bestaanswijze veranderde van nomade in boer, waardoor mensen lange tijd op dezelfde plaats bleven. De 'wilde honden' begonnen in deze tijd de nabijheid van de mens op te zoeken en van hun afval te leven. Er kan dus sprake zijn van een zekere co-evolutie.[11][12] Andere onderzoekers gaan ervan uit dat de mens een actievere rol speelde in de eerste stappen die tot een domesticatie van de hond leidde.[13] Een gangbare hypothese was dat hierbij geselecteerd werd op basis van coöperatief gedrag, maar onderzoek uit 2014 vond dat net wolven beter zouden samenwerken en dat bij het domesticeren van honden voornamelijk geselecteerd zou zijn op gehoorzaamheid en zin voor hiërarchie.[14] Een andere hypothese is dat de domesticatie van de wolf plaatsvond vóór de opkomst van de landbouw. Hierbij zou de hond gebruikt zijn voor de jacht (sporen volgen, wild opjagen en immobiliseren) en als waakhond.[15]

Rond 8000 voor het begin van onze jaartelling pasten de voorouders van de hond hun voedingspatroon en spijsvertering aan aan het grotere aanbod zetmeeluit de eerste menselijke landbouw. De honden bezitten afhankelijk van het ras 4 tot 30 kopieën van het zetmeelverterende gen voor het enzym amylase. Wolven bezitten slechts twee kopieën voor amylase.[16] Deze door mutatie mogelijk gemaakte domesticatie heeft mogelijk tweemaal plaatsgevonden[17]; rond 35.000 jaar geleden, vóór de laatste grote ijstijd, maar door de ongunstige omstandigheden afgebroken, en 10.000 jaar geleden met meer succes.

Hoewel de geschiedenis van de domesticatie van honden niet geheel duidelijk is, is domesticatie van vossen empirisch onderzocht. De geneticus Dmitry K. Belyaev begon in 1959 met een reeks vossen een domesticatie-experiment. In zijn instituut selecteerde hij vossen voor de volgende generatie enkel op tamheid. Ongeveer 5% van de mannelijke dieren en 20% van de vrouwelijke dieren mochten een volgende generatie stichten. 40 jaar en 45.000 vossen later, na 35 generaties van selectie op tamheid zijn de vossen uit dit experiment gedomesticeerd.[18]

Oudheid

 
Honden in het Oude Egypte

In het oude Egypte tonen wandschilderingen aan, dat de mens destijds reeds veel gebruik maakte van dieren, bijvoorbeeld voor de jacht. Ook diersoorten die we vandaag niet meer als gedomesticeerde dieren kennen, zoalshyena's, werden door de Egyptenaren gehouden.[19] Goden, zoals Anubis, kregen (voor een deel) het uiterlijk van dieren en men was zich bewust van de specifieke eigenschappen van dieren.

Middeleeuwen en Nieuwe Tijd

 
De hond is al eeuwenlang de mensenvriend bij uitstek, portret vanFrederik de Grote met zijn zus

Rond 1350 werden door Gaston Phoebus in een boek de eerste medische behandelingen van honden beschreven, die bij de jacht werden ingezet.[20] In de Nieuwe Tijd werden honden niet meer enkel gehouden om bij de jacht te helpen, te waken, karren te trekken of lasten te dragen, maar ook als gezelschapshond, zoals talrijke schilderijen uit deze tijd tonen. Behalve op het doel begon men ook op het uiterlijk van de hond te letten. Dit leidde in de Moderne Tijd tot de oprichting van de eerste kennelclubs en rasverenigingen.

Moderne Tijd

Vooral in de laatste 200 jaar heeft gericht fokken een explosieve vermenigvuldiging van rassen en varianten veroorzaakt. De herontdekking van de regels van Mendel, de oprichting van kennelclubs en rasverenigingen en de oprichting van de Fédération Cynologique Internationale (FCI) in 1911 leidden ertoe dat vandaag 331 verschillende hondenrassen door het FCI erkend zijn. De lokale organen zijn in Nederland de Raad van Beheer op Kynologisch Gebied in Nederland en in België de Koninklijke Maatschappij Sint-Hubertus. In de Verenigde Staten heeft zich een tweede overkoepelend orgaan gevormd, waarvan de rasstandaarden en de indeling en erkenning van rassen verschillen van die van de FCI.

Honden die niet tot een specifiek ras behoren, worden als bastaardhond, straathond of als rasloos bestempeld.

Zie ook: Geschiedenis van de relatie tussen mens en hond

Anatomie

Benamingen

 
  1. Stop (overgang tussen hersenschedel en snuit)
  2. Snuit (of voorsnuit)
  3. Keel
  4. Schouder
  5. Elleboog
  6. Pols
  7. Kroep (of kruis)
  8. Dij
  9. Spronggewricht (of hak)
  10. Middenvoet
  11. Schoft (het hoogste punt van de schouder)
  12. Kniegewricht
  13. Voeten (of poten)
  14. Staart

Tandformule

 
Tandformule van de hond

Het definitieve gebit van honden bestaat uit 42 tanden. In elke kaakhelft telt het 3 snijtanden (Incisivi, I), één hoektand(Caninus, C) en 4 premolaren ofwel knipkiezen (Premolaren, P). In de bovenkaak zijn er bovendien twee, in de onderkaak 3 molaren of knobbelkiezen (Molaren, M).[21] De grote P4 in de bovenkaak en de M1 in de onderkaak worden de scheurkiezen genoemd.

Grafisch uitgedrukt is de tandformule van volwassen honden:

 

Het melkgebit van honden bevat 28 tanden. De P1 en de molaren hebben geen melktandvoorganger. De melktanden worden in tandformules meestal met een kleine letter aangeduid, de tandformule is als volgt:

 

De tandwisseling vindt vanaf de vierde maand plaats. Tijdens de tandwisseling kan bij de pup, net als bij kinderen, tandpijn ontstaan. Pups zullen in deze periode daarom vaak op allerlei dingen knagen.

 

Oren

 
Spitse oren
 
Hangoren

Het gehoor is bij de hond sterk ontwikkeld. Hij kan hogere frequenties waarnemen dan de mens. Het bereik ligt bij een optimaal gehoor:

  • Mens ~ 20 - 20.000 Hz, maximale gevoeligheid tussen 1000 en 4000 Hz.
  • Hond ~ 15 - 50.000 Hz (sommige bronnen spreken zelfs van 100.000 Hz), maximale gevoeligheid rond 8000 Hz. Honden zijn verder in staat over een afstand van 25 meter frequenties rond de 1 à 2 Hz te horen.

De beweeglijke oorschelpen van de hond maken het hem mogelijk om een geluid driedimensionaal te lokaliseren; hij kan dat daarom veel beter dan de mens. Een hond kan de richting waaruit een geluid komt met een afwijking van 2% bepalen (bij de mens meer dan 15%). Bij de beweging van de hondenoren zijn niet minder dan 17 spieren betrokken.

Honden met hangoren hebben een iets zwakker vermogen om geluid te lokaliseren. De oren hebben echter naast hun fysieke functie ook een belangrijke taak bij de communicatie met andere honden, en met de mens. Ook op dit punt zijn honden met hangoren dus enigszins in het nadeel.

Ogen

Vroeger werd aangenomen dat honden enkel grijstinten of 'zwart-wit' konden zien. Uit nader onderzoek is echter gebleken dat honden wel degelijk kleuren kunnen zien, maar wel anders dan de mens.

Het oog van de hond bevat, zoals bij alle zoogdieren twee typen receptoren. De staafjes zijn voor de waarneming van grijstinten verantwoordelijk, de kegeltjesvoor het zien van kleuren. In het oog zijn meer staafjes dan kegeltjes, en staafjes hebben minder licht nodig om een signaal aan de hersenen te geven.[22] De kegeltjes zorgen voor het kleurenzien, indien er genoeg licht aanwezig is.

In het oog van honden is, zoals bij de meeste zoogdieren, een speciale anatomische structuur, (Tapetum lucidum), aanwezig, die invallend licht terugkaatst en zo het bestaande licht versterkt.[23] Dit verklaart, waarom honden in de schemering veel beter kunnen zien dan mensen, bij wie deze structuur afwezig is.

 
Diagram ogen hond

Het oog van de hond heeft twee verschillende types kegeltjes, die op groen of op blauw licht reageren, dit in tegenstelling tot de mens, die over drie verschillende types beschikt, die op rood, groen en blauw licht reageren. Een hond ziet geen rood en ervaart rode dingen als (donker)groen. Een rode bal in het gras is voor een hond dus lastig te zien.

Een ander verschil is dat het hondenoog in het bereik rond 430 nanometer (zie tekening) de grootste gevoeligheid vertoont. Bij de mens is dit rond 530 nanometer. De scherpte van het beeld is waarschijnlijk kleiner dan bij de mens en meer op beweging gericht. Stilstaande dingen worden door de hersenen onderdrukt en zijn door de hond minder goed waar te nemen.[24]

Het gezichtsveld van de hond is met circa 240 graden duidelijk groter dan dat van de mens, mede door de zijdelingse inplanting van de ogen op de schedel. Het bereik waarin een hond driedimensionaal kan zien is met 120 graden ongeveer even groot als dat van de mens.

Neus

 
De hondenneus is altijd vochtig, onbehaard en heeft grote neusgaten.

De reukzin van honden is veel beter ontwikkeld dan bij de mens. In de eerste plaats komt dit door het grotere aantal reukcellen. Globaal geldt dat hoe langer de snuit is, des te beter het reukvermogen. Tussen de verschillende hondenrassen bestaan dan ook aanzienlijke verschillen op dit punt. De mens heeft ongeveer 10 cm² reukepitheel, de hond daarentegen gemiddeld 100 cm², maar dat varieert tussen 30 cm² bij een Franse buldog en 169 cm² bij een Duitse herder.[25] Beroemd is de bloedhond om zijn vermogen om sporen te volgen.

De kwaliteit van de reukzin wordt echter ook door andere factoren bepaald, want metingen hebben aangetoond dat het reukvermogen van een hond rond één miljoen keer zo sterk is als dat van de mens. Daarbij speelt dat honden met korte inspiraties rond 300 keer per minuut kunnen ademen, zodat er steeds nieuwe aanvoer van verse lucht is met een grotere turbulentie, waardoor geurstoffen gemakkelijker met het reukepitheel in contact kunnen komen.

In de hersenen worden de binnenkomende signalen verwerkt. Het is aangetoond, dat honden 'stereo' kunnen ruiken. De hond neemt dus waar of een geur van rechts of van links komt. Op deze manier kan hij de richting van een geurspoor beoordelen. Belangrijk bij de richtingsgevoeligheid is de natte neus met daarin koudereceptoren die de afkoeling signaleren van het gedeelte waar de lucht langs stroomt, waar een luchtstroom en dus een geur vandaan komt. De reukhersenen[26] zijn in vergelijking met de mens ook veel groter.[27][28] Bij de hond nemen ze tien procent van de hersenen in beslag tegen één procent bij de mens. Honden kunnen bepaalde geuren ook via het Orgaan van Jacobson waarnemen.

Brachycefale honden kunnen onder meer door de anatomische bouw van hun schedel en ademhalingswegen moeilijkheden bij de ademhaling hebben.

Voeding

De huidige gezelschapshond is van nature een vleeseter, met een spijsverteringsstelsel dat bijna identiek is aan dat van wilde honden en wolven. De meeste honden eten echter geregeld ook wel plantaardig voedsel.

Zoals in de humane gemeenschap vormt obesitas in de hondenpopulaties een ernstig gezondheidsprobleem. Dit is deels te verklaren door een te hoge energieopname en deels door een afname van activiteit.[29]

De meeste commercieel beschikbare voeders zijn optimaal afgestemd op de voedingsbehoefte van honden.[30] Aanvullingen zijn dan ook niet nodig en hebben vaak een negatief effect. Zo kan de toevoeging van calcium tot blaasstenen en botafwijkingen leiden.[31][32] Hoewel de meeste honden commerciële voeders zoals kant-en-klare brokken of blikvoer krijgen, zijn er steeds meer mensen die overgaan op "rauw voer" of "BARF". De basis bestaat uit rauw vlees en botten.

Er zitten wel grote verschillen in kwaliteit tussen de verschillende merken hondenvoer; zeker de goedkopere supermarktmerken bevatten vaak relatief veel smaak- en geurstoffen en granen; terwijl de echte premiummerken, zoals Orijen, Arden Grange, Yarrah (EKO-certificatie) en Hill's, duurder zijn, maar gezonder voor de hond.

De voedingsbehoefte van honden varieert niet enkel met de activiteit, maar ook met het ras, de leeftijd en de omgevingstemperatuur. Men kan stellen, dat de behoefte voor onderhoud van een dier bij normale activiteit rond de 500 kJ per kilogram metabool gewicht per dag ligt. Dit kan oplopen tot 4200 kJ per kilogram metabool gewicht per dag bij zeer actieve dieren, zoals sleehonden.[33]

Voor het gebruik van de hond zelf als voedsel, zie het artikel 'hondenvlees'

Voortplanting

 
Paring

Puberteit

De puberteit van reuen begint gemiddeld op een leeftijd van 6 maanden en is meestal op een leeftijd van 12 maanden afgesloten. Een teef zal haar eerste loopsheid op een leeftijd van 6 tot 9 maanden vertonen. Dit is echter aan een sterkere variatie onderworpen en kan bij grote rassen duren tot een leeftijd van zelfs 2 jaar.[34]

Cyclus

Teven zijn in het wild mono-oestrische dieren: zij worden maar één keer per jaar loops. Bij sommige van de gedomesticeerde rassen is dit behouden gebleven. Vooral rassen zoals de saarlooswolfhond, waar recentelijk wolvenbloed is ingefokt, vertonen deze eigenschap. De resterende gedomesticeerde honden zijn 2 - 3 keer per jaar loops. Tussen de verschillende loopsheden liggen gemiddeld 7 maanden, maar het tijdsinterval is per hond aan grote variaties onderworpen.

De loopsheid wordt in twee fasen opgedeeld, die elkaar opvolgen. In de eerste fase (pro-oestrus) zal de vulva van de teef opzwellen en zal de teef een bloederige uitvloei vertonen. De afgegeven feromonen trekken reuen aan, maar de teef laat zich in dit stadium nog niet dekken. Deze fase duurt gemiddeld negen dagen tot maximaal 17 dagen. In een tweede fase neemt de zwelling van de vulva iets af en wordt de uitvloei minder. De kleur verandert van rood naar geelbruinachtig. De teef trekt nu naast reuen ook andere teven aan. De teef accepteert nu de reu en een dekking kan plaatsvinden. Ook deze fase duurt gemiddeld 9 dagen (varieert tot 21 dagen). Tijdens de tweede fase (oestrus) zal de eisprong plaatshebben.

Als bevruchting heeft plaatsgevonden, wordt deze gevolgd door een dracht, zie Dracht en geboorte. De dracht duurt ongeveer 64 dagen.

Als er geen bevruchting heeft plaatsgevonden, wordt de loopsheid van de teef gevolgd door een derde fase, de metoestrus. Daarna komt een fase van seksuele inactiviteit, de anoestrus, die sterk uiteen kan lopen, maar gemiddeld 4 maanden duurt. De anoestrus wordt opnieuw gevolgd door een loopsheid.[35]

Dekking

 
Puppy van een kruising keeshond -Husky.

Waar mogelijk is het aan te raden een teef niet direct tijdens de eerste loopsheid te laten dekken, maar daarmee te wachten tot een leeftijd van 2 jaar, ongeveer de derde loopsheid.

Na enkele stotende bewegingen treedt er bij de reu een zwelling op van de bulbus glandis, een zwellichaam rond de penis. Hierdoor blijft de reu in de vagina van de teef hangen. Contracties van de vagina lokken bij de reu dan een ejaculatie uit. De ejaculatie treedt in meerdere fracties op en duurt lang. Gemiddeld lost een reu bij een ejaculatie 5 tot 10 ml sperma (variaties van 2-25 ml). In het ejaculaat zijn 200 tot 300 miljoen zaadcellen per mm3aanwezig. Na enkele minuten komt de reu (na het afzwellen van het zwellichaam) vanzelf los. Losrukken van reu en teef door de mens is voor beide honden gevaarlijk en pijnlijk.[35] Bovendien kunnen honden agressief reageren op de menselijke interventie.

Sommige hondenrassen hebben door bepaalde kenmerken moeilijkheden met paren. Mannelijke Franse bulldogs kunnen bijvoorbeeld niet een teef beklimmen, zodat dan moet worden gefokt door middel van kunstmatige inseminatie. Ook kunnen door de grootteverschillen bepaalde rassen niet onderling paren (bijvoorbeeld een jack russell en een sint-bernard).

Dracht en geboorte

Na een gelukte dekking zal de teef drachtig worden. Gemiddeld duurt een dracht bij honden ongeveer 64 dagen, maar bij een bouvier kan dit wel 85 dagen zijn. Wanneer de teef een groot nest draagt, kan de geboorte enkele dagen eerder plaatsvinden, maar bij een kleine worp kan de geboorte enkele dagen langer op zich laten wachten. De puppy's zijn de eerste tien dagen nog blind. De teef zal haar puppy's ongeveer drie weken lang zogen. Daarna kunnen de puppy's overgaan op puppyvoeding, en na vijf tot zeven weken zijn ze volledig gespeend.[34]

Levensverwachting

Een hond kan met goede verzorging 15 jaar oud worden. Rashonden worden vaak gemiddeld iets minder oud dan bastaards. Ook zeer grote rassen leven gemiddeld wat korter.

Gevolgen van inteelt

De verschillende rassen van honden zijn in het verleden door strenge selectie ontstaan. Fenotypische kenmerken, zoals vachtkleur, zijn bij honden vaak oprecessieve genen gecodeerd. Om een stabiele vachtkleur van een ras te verkrijgen, was het dus nodig nauw verwante honden met elkaar te kruisen. Dit heeft de kans op genetisch overgedragen ziektes verhoogd; honden die hieraan lijden moeten uit de fokkerij geweerd worden, maar dit gebeurde niet altijd, zodat hun genetische schade zich kon verspreiden.

Tegenwoordig tracht men genetische ziekten te beperken door gericht te fokken en door aangetaste dieren uit de fokkerij te weren, maar bij sommige ziekten is dat moeilijk. Voor bepaalde rassen is het verplicht fokdieren op genetische ziekten te laten testen. Een voorbeeld hiervan is heupdysplasie. Ookstamboomonderzoek en berekening van inteeltfactoren worden tegenwoordig gebruikt om het risico op overdracht van genetische ziekten zo laag mogelijk te houden.

Ziektes bij de hond

Behalve genetische aandoeningen komen er verschillende verworven ziektes en aandoeningen voor bij honden. Onder de parasieten zijn vlooien, teken en wormen bekend, en veroorzaken mijten schurft en puppyschurft. Ook kunnen parasieten diverse soorten gevaarlijke virussen, bacteriën en protozoaoverdragen op honden. Bacteriën kunnen ontsteking van de baarmoeder veroorzaken en wild spelen na het eten wordt gezien als oorzaak voor maagtorsie.

Communicatie van honden

 
Een schooiende hond vertoont een typische lichaamstaal.

Lichaamstaal

Honden hebben een eigen lichaamstaal en gebruiken deze zowel voor communicatie met andere honden als voor die met de mens. Bij een confrontatie met andere dieren kan de hond op verschillende manieren reageren, zoals nieuwsgierigheid, angst of agressie.

Communicatie met de mens

De communicatie met honden is vrij universeel. Iedereen heeft zo zijn eigen manier van communiceren met honden, maar zo ook honden met mensen.

Taalgebruik

De mens past meestal zijn of haar taalgebruik aan, als hij of zij met een hond praat. Dit kan in geringe mate zijn of juist een algehele aanpassing aan de grammatica en uitspraak. De meeste mensen communiceren met een hond in hun eigen taal, uit onderzoek is ook gebleken dat taal geen invloed heeft op een hond. Honden luisteren slechts naar tonen zoals aa, ee, oe, oo, ie enzovoorts, als men "zit, af, poot" zegt hoort de hond hoogstwaarschijnlijk "ì, à, oo". Wanneer een taal afwijkt van de taal waarin de hond commando's heeft geleerd, kan hierdoor verwarring ontstaan. Dit komt echter niet vaak voor, aangezien de meeste mensen ook lichaamstaal gebruiken. Hierdoor kan een mens vaak moeiteloos communiceren. Hettaalniveau dat gebruikt wordt om met honden te communiceren, is vaak gelijk aan het niveau van kinderen of zuigelingen.

Mensen ontwikkelen vaak hun eigen trucjes om ervoor te zorgen dat honden beter luisteren, gebaseerd op een geconditioneerde reflex.

Blaffen en grommen

Honden communiceren met mensen via blaffen en grommen. Grommen komt in het wild ook voor bij wilde dieren, vooral bij andere hondachtigen, zoals wolven en vossen. Dit systeem is bedoeld om zichzelf te beschermen tegen (mogelijke) gevaren en situaties die dreigend overkomen. Uit nieuw onderzoek is gebleken dat honden het systeem van blaffen waarschijnlijk hebben ontwikkeld om zo met de mens te kunnen communiceren. De wolf, waarvan de hond afstamt, blaft niet. Wolven huilen en grommen alleen. Uit dit onderzoek is ook gebleken dat mensen dit systeem meestal ook begrijpen.

Er zijn verschillende blaffen voor iedere soort situatie. Zo heeft de hond een blaf voor als zijn of haar baas weer thuis komt; vrolijk dus. Een blaf voor als de hond aan het spelen is, als er iemand inbreekt of als hij iemand echt aanvalt.

Opvoeding

 
Honden en katten reageren vaak agressief op elkaar, maar kunnen aan elkaar wennen, hier een Engelse cockerspaniël met een kat.

Omdat er zoveel verschillende hondenrassen bestaan, is er geen echte algemene opvoeding voor iedere hond. Wel zijn er algemene regels die altijd in acht moeten worden genomen.

  • Het is sterk aan te raden om met de puppy vanaf de leeftijd van 8 weken naar een hondenschool te gaan. Ook als er een oudere hond in huis genomen wordt die nog veel bij te leren heeft, kan de hondenschool de opvoeding sterk verbeteren.
  • Bij de kennismaking met andere huisdieren mag er niets geforceerd worden. Breng de nieuwe huisgenoot bij de andere, geef hun even de tijd om elkaar te besnuffelen, maar grijp pas in zodra duidelijk wordt dat het niet klikt. Men kan dan eventueel de dieren een tijdje apart zetten en het daarna opnieuw proberen.
  • Wanneer men een hond op straat wil aaien, vraag dan eerst toestemming aan de baas. Ga dan niet met de vlakke hand rechtstreeks naar het hoofd. Kom van onder de kin van de hond met de rug van de hand naar boven gericht, laat de hond even aan de hand ruiken en aai dan pas de hond. Wanneer men direct met de hand over de ogen van de hond zwaait, is er kans dat de hond zich bedreigd voelt, met mogelijke gevolgen van dien.
  • Zorg ervoor dat de hond de basisbevelen kent: zit, af, hier en blijf. Zo wordt bereikt dat de hond in alle mogelijke situaties geen bedreiging vormt voor wie dan ook, en dat er zich ook voor hem geen bedreiging kan voordoen.

Reizen binnen de Europese Unie

Op 1 oktober 2004 is een Europese verordening[36] van kracht geworden, die het niet-commercieel vervoer van dieren binnen de EU regelt, waaronder het reizen met honden, katten en fretten. Elke hond dient te beschikken over een paspoort dat in de lidstaten uniform werd ingevoerd. In dit paspoort wordt de hond geïdentificeerd door middel van een microchip of een tatoeage. Tatoeages zijn na 2 juli 2011 niet meer geldig als identificatiemiddel. In het paspoort worden vaccinaties tegen hondsdolheid vermeld, die verplicht zijn om het dier te vervoeren. Voor reizen naar Zweden, Finland, Ierland, het Verenigd Koninkrijken Malta gelden speciale regels.

De hond in de cultuur

In de westerse samenleving is de hond in de beeldende kunst vooral een symbool van trouw en opoffering, maar ook negatieve betekenissen komen nog voor. Iemand uitschelden voor hond kan als zeer beledigend worden ervaren, en andere voorbeelden zijn zegswijzen als luie hond, schurftige hond en vuile hond. Voorts kan men iemand 'honds' behandelen. Ook het woord teef (vrouwelijke hond) wordt gebruikt als scheldwoord (Engels: bitch, zij het met enig verschil in betekenis in beide talen). De hond wordt soms als agressief en bloeddorstig gezien. Volgens sommige moslims is de hond onrein (haram), hoewel het in bijvoorbeeld Turkije niet ongewoon is om een hond als huisdier te hebben. De religieuze spijswetten verbieden joden honden te eten (niet koosjer).

De hond als attribuut

Een hond, brood en een wonde op het been zijn de attributen van de H. Rochus; een hond met een toorts in de bek, een ster en een lelie die van de H.Dominicus, stichter van de orde der Dominicanen, 1221.

Media

Omdat honden het gemoed aanspreken, komen ze veelvuldig voor in diverse media. Hieronder zijn enkele, om uiteenlopende redenen, bekende honden opgesomd.

Bekende honden

 
Barry
 
Lassie

Fictieve honden

Top-tien van hondenrassen in België

(gerangschikt volgens het aantal geboorten in 2005)[37]

  1. Duitse herder: 1.878
  2. Mechelse herder: 1.682
  3. Golden retriever: 898
  4. Vlaamse koehond: 881
  5. Chihuahua: 853
  6. Labrador retriever: 841
  7. Berner sennenhond: 822
  8. Bordercollie: 773
  9. Rottweiler: 690
  10. Duitse dog: 670

Top tien van hondenrassen in Nederland

(gerangschikt volgens het aantal stamboek ingeschreven honden in 2007)[38]

  1. Labrador retriever: 4.053
  2. Duitse herder: 3.653
  3. Golden retriever: 2.227
  4. Berner sennenhond: 1.698
  5. Staffordshire-bulterriër: 1.344
  6. Boxer: 1.280
  7. Cavalier King Charles-spaniël: 1.221
  8. Engelse bulldog: 1.176
  9. Teckel (ruwhaar): 935
  10. Engelse cockerspaniël: 921

Hondenpoep

Helaas blijken veel hondeneigenaren de overlast die hun huisdier anderen bezorgt, te negeren. Tegenwoordig is het praktisch onmogelijk om stoepjes, plantsoenen en grasveldjes zonder hondenpoep aan te treffen, ondanks de moeite die gemeenten doen door bijvoorbeeld poepzuigmobielen of het plaatsen van een hondenpoepcontainer. Het gevolg is hondenpoep aan schoenen, (kinder)kleding en kinderwagens, die, zonder dat men ooit achterhaalt wie de dader is, voor eigen rekening schoongemaakt mogen worden. Eigenaren die op heterdaad worden betrapt, gebruiken veelvuldig hondenbelasting als smoes om zich niet verantwoordelijk te hoeven voelen voor de uitwerpselen van hun huisdier.

Sommige lokale politieke partijen willen het hondenpoepprobleem oplossen door een DNA-databank aan te leggen van alle honden, zodat drollen geanalyseerd kunnen worden en de eigenaren beboet worden voor het niet opruimen van de hondenpoep.

Afbeeldingen

  •  

    Vizslahond

  •  

    Australische kelpie

  •  

    Brave hond

  •  

    Engelse cocker spaniël

  •  

    Engelse buldog

  •  

    Jonge hond

  •  

    Sharpei

  •  

    Zwitserse witte herder

  •  

    Ruwharige jackrussellterriër

 

 

'

Klik hier om een tekst te typen.

Klik hier om een tekst te typen.

'

SCHILPADEN

Schildpadden

 
 
SchildpaddenEen soepschildpad zwemt langs de kust van Hawaï.Taxonomische indelingRijk:Animalia (Dieren)Stam:Chordata (Chordadieren)Klasse:Reptilia (Reptielen)OrdeTestudines
Linnaeus, 1758Afbeeldingen Schildpadden op Wikimedia CommonsSchildpadden op WikispeciesPortaal   Biologie
Herpetologie
 
 
 

Schildpadden (Testudines) zijn een orde van reptielen waarvan alle soorten gekenmerkt worden door een stevig en vaak bolvormig schild.

Schildpadden kunnen sterk verschillen in grootte, kleuren en levenswijze maar zijn gemakkelijk te onderscheiden van alle andere reptielen door het uitwendige schild. Alle schildpadden hebben een benig schild aan zowel de buikzijde (plastron) als de rugzijde (carapax), in tegenstelling tot alle andere moderne reptielen zoalskrokodilachtigen, hagedissen en slangen. Het schild is meestal voorzien van een tweede pantser, het hoornschild. Het rugschild is met het buikpantser verbonden door een benen brug aan weerszijden van het lichaam.

Schildpadden planten zich meestal jaarlijks voort en zijn zonder uitzondering eierleggend.[1] Ze groeien snel als ze jong zijn maar ontwikkelen zich zeer langzaam. Grotere schildpadden zijn pas na enige tientallen jaren volwassen, dergelijke soorten kunnen echter ook zeer oud worden. Op het menu staat zowel dierlijk als plantaardig materiaal, afhankelijk van de soort.

Er zijn ongeveer 340 verschillende soorten schildpadden, verdeeld over 14 families.[2] Schildpadden komen over de hele wereld voor in uiteenlopende biotopen, zoals bossen, graslanden, moerassen en zeeën. Tientallen soorten zijn ernstig bedreigd door menselijke activiteiten. De belangrijkste bedreigingen zijn het vernietigen van de habitat en het verzamelen van wilde schildpadden voor consumptie of de dierenhandel.

 

 

Verspreiding en habitat[bewerken]

 
Verspreiding van de schildpadden op het land (zwart) en in de zee (blauw)

Schildpadden komen op alle continenten voor, maar alleen in tropische en subtropischegebieden. Vooral in Afrika leven veel soorten, in Europa leven schildpadden alleen in het zuiden rond het Middellandse Zeegebied, in Azië alleen in het zuidelijke deel. Slechts enkele van de landbewonende soorten komen voor in gematigde gebieden. In Noord-Amerika komen de schildpadden voor in het zuiden en midden, in Zuid-Amerika ontbreken schildpadden alleen in de uiterst westelijke kuststrook. In Oceanië leven de schildpadden op een groot deel van de bijbehorende eilanden, maar niet in Nieuw-Zeeland. In Australiëkomen de schildpadden overal voor, behalve in een groot woestijngebied in centraal-Australië. Op het Arabisch Schiereiland leven soorten in zowel het noorden als het uiterste zuiden, maar ontbreken in het grootste centrale deel. De enige gebieden waar schildpadden tegenwoordig niet voorkomen, zijn de Noord- en de Zuidpool. Op de verspreidingskaart rechts is de wereldwijde verspreiding van de schildpadden met zwart aangegeven, en de verspreiding van de in zee levende schildpadden met blauw.

Wat betreft habitat worden de schildpadden grofweg verdeeld in de landschildpadden, de moerasbewoners en de zeeschildpadden. Deze verdeling heeft echter geen wetenschappelijke basis; zo behoren de in zee levende soorten tot verschillende families. Ook zijn er soorten die behoren tot de moerasschildpadden maar zich hebben aangepast op een leven op het land, een voorbeeld zijn de doosschildpadden.

De habitat van een schildpad kan bestaan uit vrijwel alle mogelijke biotopen, van schrale gebieden als savannen en halfwoestijnen tot in bossen, graslanden en moerassen. Alleen in grote meren en in zeer hete woestijnen of koude bergstreken zonder schuilplaatsen en begroeiing komen geen schildpadden voor. Schildpadden zijn zoals alle reptielen koudbloedig, dus afhankelijk van de omgevingstemperatuur. De meeste soorten leven in zoet water in moerassige gebieden en komen regelmatig op het land om te eten en te zonnen, maar blijven bij water in de buurt om er in te vluchten bij gevaar en om te rusten. Dezeeschildpadden leven permanent in de wereldzeeën, ook sommige moerasschildpadden komen wel eens in zout water voor, maar alleen langs de kust en in mangrovebossen, niet op open zee.

Veel schildpadden zijn goede zwemmers die oppervlaktewater als schuilplaats hebben. Sommige soorten, zoals de weekschildpadden, zijn zo sterk op water aangepast dat ze zelden het land betreden. Er zijn echter ook soorten die direct verdrinken in te diep water, met name landschildpadden.

In Nederland[bewerken]

In Nederland leefde ooit de Europese moerasschildpad (Emys orbicularis), af en toe wordt er een verdwaald exemplaar gevonden, maar in het algemeen is deze al lange tijd uit Nederland verdwenen.[3] Tegenwoordig komen in Nederland geen schildpadden voor behalve enkele losgelaten of ontsnapte ex-huisdieren. Deze exemplaren kunnen zich wel in leven houden maar zich niet in te gematigde streken voortplanten. Dit komt doordat de temperaturen te laag zijn om de eitjes te laten uitkomen. Ook is gebleken dat deze exoten geen groot gevaar voor de inheemse flora en fauna zijn. Veel van deze dieren zullen namelijk vroegtijdig sterven door omstandigheden die afwijken van die in het natuurlijke leefgebied, zoals de in Nederland relatief strenge winters. Soorten die in Nederland zijn aangetroffen zijn de roodwang(sier)schildpad, de onechte landkaartschildpad, de geelwangschildpad en de bijtschildpad.

Kenmerken[bewerken]

Schildpadden hebben naast een groot en stevig schild een eivormige, duidelijk te onderscheiden kop en altijd vier poten en een staart. Alle ledematen kunnen volledig in het schild worden teruggetrokken. De kop echter is niet altijd intrekbaar en de schildpadden worden aan de hand van het vermogen om de kop terug te trekken zelfs in groepen verdeeld. De poten hebben afhankelijk van de functie een aangepaste vorm, de staart heeft geen echte functie meer.

Schild[bewerken]

Rug- en buikpantser van desoepschildpad

Carapax of rugschild (links)
Nekschild (nuchaal)
Wervelschild (vertebraal)
Ribschild (costaal)
Randschild (marginaal)
Anaalschild (supracaudaal)

 

Plastron of buikpantser (rechts)
1 tussenkeelschild (intergulair)
2 keelschild (gulair)
3 bovenarmschild (humeraal)
4 borstschild (pectoraal)
5 buikschild (abdominaal)
6 bekkenschild (femoraal)
7 anaalschild (anaal)
8 okselschild (axillair)
9 onderrandschild (2x) (inframarginaal)
10 Dijschild (inguinaal)

Schildpadden zijn duidelijk van alle andere dieren te onderscheiden door het ronde tot ovale, koepelvormige schild dat het grootste deel van lichaam bevat. De kop en voorpoten steken uit door een opening aan de voorzijde, de staart en achterpoten door een opening aan de achterzijde. Het schild bestaat uit een platte onderzijde, het buikpantser of plastron en een meestal bolle bovenzijde, het rugschild of carapax.[1] Deze twee delen staan in verbinding met een benen brug aan weerszijden van het schild tussen de voor- en achterpoten. Er zijn ook schildpadden waarbij het schild omzoomd wordt door een brede strook huid, zoals deweekschildpadden.

De binnenzijde van het schild bestaat uit huidbeenderen of beenplaten, deze zijn gevormd uit de ribben en uitsteeksels van de borstwervels. De beenplaten zijn gevormd uit botweefsel van het inwendig skelet. De hoornschilden bestaan uit keratine, dit is een harde en hoornachtige stof die bescherming biedt tegen uitwendige parasieten. Ook de schubben van schildpadden (en alle andere reptielen) bestaan uit keratine. De hoornschilden liggen tegen elkaar aan, de randen van de hoornschilden overlappen die van de beenplaten, wat de sterkte vergroot. De beenplaten zijn vergroeid met de borstwervels van de wervelkolom, waardoor een schildpad zijn schild niet kan verlaten.

Aan de buitenzijde is de huid verstevigd met hoornschilden of hoornplaten (laminae) die ontstaan in deopperhuid. De beenplaten geven het schild zijn vorm. De vorm van het schild is bij de verschillende geslachten vaak ongeveer hetzelfde. De hoornschilden geven het schild de vaak soort-afhankelijke kleur en tekening. Omdat de schildvorm en -tekening in de regel karakteristiek zijn voor de soort, zijn het belangrijke determinatiekenmerken. De kleur en tekening zijn vaak zelfs per individu iets verschillend, dit is als het ware de vingerafdruk van een schildpad. Een landbewonende schildpad heeft een bolvormig schild, een aan water gebonden schildpad heeft een lichter, plat schild om beter te kunnen zwemmen. De zeeschildpadden hebben naast een relatief licht schild een sterk gestroomlijnde schildvorm dat aan de achterzijde spits eindigt. Dit heeft te maken met een betere hydrodynamica die past bij de permanent zwemmende levenswijze.

Alle schildpadden hebben beenplaten, maar niet alle soorten hebben ontwikkelde hoornschilden, bij de familieweekschildpadden (Trionychidae) ontbreken ze evenals bij enkele andere zoetwatersoorten en ook de in zee levende lederschildpad heeft geen uitwendige hoornschilden. De huid van zowel de week- als de lederschildpadden is leer-achtig, de lederschildpad heeft een huid die veel olie-achtige substanties bevat. Deze maken het schild lichter en hebben een isolerende functie om de schildpad te beschermen tegen de lagere temperaturen van de rond de poolstreken zeer lage watertemperatuur.

De hoornschilden op het rugschild verschillen enigszins per soort en per familie kan de schildvorm sterker afwijken. Alle schildpadden hebben echter een eenduidige basisstructuur betreffende de bouw van het schild. De schilden op het midden van het schild worden wervelschilden (vertebraal) genoemd, de omringende schilden ribschilden (costaal) en de hoornschilden aan de rand randschilden (marginaal). Aan de voorzijde is een smal schild aanwezig, het nekschild (nuchaal), aan de achterzijde zijn de anaalschilden (anaal) aanwezig. Het buikpantser bestaat uit zes achter elkaar liggende dubbele rijen schilden en het tussenkeelschild (intergulair), dat tussen de nekschilden (gulair) ligt. Het tussenkeelschild is het enige niet-gepaarde buikschild. Bij de halswenders is tussen de voorste twee buikschilden altijd een ongepaard schild aanwezig.

Sommige schildpadden hebben kenmerkende aanpassingen aan het schild om beter beschermd te zijn tegen vijanden. De doosschildpadden hebben een zowel aan de voor- als achterzijde scharnierend buikpantser dat omhoog geklapt kan worden. Bij de klepschildpadden kan de achterzijde van het rugschild omlaag worden geklapt, zie ook het kopje verdediging. Sommige schildpadden, zoals de alligatorschildpad (Macrochelys tenminckii), hebben een sterk gereduceerd buikpantser dat slechts een klein deel van de buik bedekt.

Naast de verdediging dient het schild ook andere doelen, zo isoleert het de warmte waardoor een schildpad minder snel afkoelt en vervullen de beenplaten een functie als kalkvoorraad,[4] wat handig is voor zwangere vrouwtjes voor de productie van de eieren.

Huid[bewerken]

Door hun grote schild met verharde hoornschilden bestaat slechts een deel van het lichaamsoppervlak uit flexibele huid, alleen op de kop, poten en staart. Ook het schild van de schildpad is bedekt met huid, ieder hoornschild bestaat uit een enkele, sterk vergrote schub. Tussen de beenplaten en de hoornschilden is een dunne laag lederhuid aanwezig, waarin de hoornschilden worden gevormd. Deze laag is sterk doorbloed en voorzien van zenuwen, het schild van schildpadden is gevoelig wat te merken is als men de naden tussen de hoornschilden aanraakt. De schildpad zal zich dan geïrriteerd terugtrekken in zijn schild.

De rekbare huid die de rest van het lichaam bedekt bestaat net zoals alle reptielen uit een schubbendragende opperlaag. De meeste schubben zijn klein, die op de kop zijn vaak groter en dikker ter bescherming. Bij landschildpadden zijn aan de voorzijde van de voorpoten vaak sterk vergrote schubben aanwezig die een defensieve functie hebben, een schildpad brengt de poten voor de ingetrokken kop bij bedreiging.

De meeste schildpadden hebben een donkere groene tot bruine kleur met een camouflerende tekening zoals lichtere tot gele of rode strepen, stippen, vlekken of landkaarttekeningen. Een aantal schildpadden heeft bijzonder kleurrijke tekeningen op met name de nek en kop, zoals de diadeemschildpad, degeelwangschildpad en de roodwangschildpad.

De schubbenhuid moet regelmatig worden vervangen, dit gebeurt tijdens de vervelling of ecdysis. Hierbij laat de bovenste laag van de schub los, hieronder is reeds een nieuwe uitgeharde schub aanwezig. De schubben laten net als bij de krokodilachtigen één voor één los en niet in flarden zoals bij de hagedissen of allemaal tegelijk, zoals bij de slangen het geval is. Ook de hoornschilden op de rug worden individueel afgeworpen, de losgelaten plaatjes zijn dun en bijna doorzichtig. Bij in gevangenschap gehouden schildpadden wordt door onervaren mensen wel gedacht dat de dieren ziek zijn, bij jongere exemplaren is regelmatig vervellen echter normaal. Na iedere vervelling krijgen de hoornschilden er een ribbeltje bij, zodat aan de hoornschilden is af te lezen hoeveel vervellingen het dier heeft ondergaan. Oudere dieren vervellen echter minder vaak dan juvenielen, zodat het aantal laagjes van de hoornschilden hooguit iets zegt over de relatieve leeftijd van de schildpad en niet over de leeftijd in jaren.

Kop en nek[bewerken]

 
De kop van een schildpad heeft een snavel-achtige bek, duidelijk zichtbare ogen en neusgaten, maar trommelvliezen ontbreken.

De kop van schildpadden is eivormig, de nek is relatief lang en zeer beweeglijk. De kop kan meestal worden teruggetrokken onder het schild. Dit is niet bij alle soorten het geval en de schildpadden zijn zelfs verdeeld in twee groepen. Schildpadden die de kop direct onder het schild terugtrekken, behoren tot de Cryptodira of halsbergers. Verreweg het grootste deel van de schildpadden behoort tot deze groep. Er zijn twee uitzonderingen die wel tot de halsbergers behoren maar de kop niet terugtrekken. De soorten uit de familie bijtschildpadden hebben een te grote kop om terug te trekken.[5] Ook de zeeschildpadden zijn halsbergers maar alle soorten hebben het vermogen om de kop terug te trekken verloren.

De andere groep schildpadden heeft een relatief lange nek en buigt deze samen met de kop onder de schildrand, deze families behoren tot de Pleurodira of halswenders. Bij een aantal soorten is de nek langer dan het schild. De lange nek van de laatste groep heeft als voordeel dat de schildpad in wat dieper water kan leven.

Schildpadden zijn de enige reptielen zonder tanden. In plaats daarvan hebben ze scherpe, verhoornde randen aan de bek, net als vogels, waarmee ze hapklare brokken van het voedsel af kunnen snijden. De vorm van de bek is snavelachtig. Enkele soorten hebben een zeer sterk naar onder gekromde, papegaaiachtige bek. De beet van veel soorten is zeer krachtig.

De ogen zijn meestal klein en altijd aan de zijkant van de kop gepositioneerd. Ze hebben een ronde pupil en een groene, grijze of oranje tot rode iris.

Zie ook zintuigen

Poten[bewerken]

 
Zeeschildpadden hebben tot flippers omgebouwde poten, hier eensoepschildpad.
 
Zonnende schildpadden, hier deroodwangschildpad, gebruiken de poten ennek als zonnepanelen.

Een schildpad heeft altijd vier poten, de poten zijn relatief kort en gekromd, ze staan net als bij de hagedissen aan de zijkant van het lichaam. De poten zijn bij waterminnende soorten sterk peddel-achtig afgeplat zodat de schildpad beter kan zwemmen. Veel zoetwaterschildpadden hebben huidvliezen tussen de tenen die een vergelijkbare functie hebben, ze vergroten het oppervlak van de poot en daarmee de efficiëntie. Tijdens het zwemmen worden alle vier de poten gebruikt, veel in water levende schildpadden zijn ondanks hun aquatiele levenswijze slechte zwemmers en lopen over de bodem van het water, voorbeelden zijn de matamata en debijtschildpad. Vooral de zeeschildpadden hebben sterk aangepaste, zeer platte maar brede poten om het oppervlak en de efficiëntie te vergroten. De poten zijn omgevormd tot flippers, dit komt ook voor bij de Nieuw-Guinese tweeklauwschildpad (Carettochelys insculpta),[6] een grote in zoetwater levende soort. De voorpoten, die gebruikt worden voor de voortstuwing, zijn bij deze soorten veel langer dan de achterpoten die dienen om te sturen. Op het land zijn dergelijke poten echter niet handig waardoor de zeeschildpadden hier erg traag en kwetsbaar zijn als ze zich op het land bewegen om de eitjes af te zetten. Landbewonende soorten hebben vier korte, ongeveer gelijke poten die massief en rond zijn en een vlakke onderzijde hebben om stevig op te kunnen staan. Het gewicht van grotere soorten landschildpadden kan honderden kilo's bedragen en ze moeten het lichaam optillen om zich voort te kunnen bewegen.

De poten worden niet alleen voor de voortbeweging gebruikt maar ook om het voedsel af te scheuren. Met de bek wordt het voedsel vastgehouden en afgesneden, waarna met de scherpe klauwen delen worden afgescheurd tot hapklare brokken. Een andere functie van de poten is het graven van het nest, hiervoor worden altijd de achterpoten gebruikt. Veel waterschildpadden manoeuvreren zich tijdens het nemen van een zonnebadin een positie waarbij ze zo veel mogelijk zonlicht opvangen, de voorpoten worden afgeplat en de achterpoten naar achteren gestoken. De gedraaide poten zorgen voor een groter lichaamsoppervlak waardoor meer zonlicht wordt opgevangen.

De poten dragen vaak nagels die dienen om op het land te klimmen. Bij veel soorten hebben de mannetjes langere nagels dan vrouwtjes, dit komt doordat ze zich op het vrouwtje moeten hijsen bij de paring. De langere nagels van de mannetjes zijn ook een secundair geslachtskenmerk, ze dienen om de vrouwtjes te imponeren.

Sommige schildpadden kunnen in bomen klimmen om te zonnen, hierbij wordt de bek als grijporgaan gebruikt. Alleen bomen die boven het water hangen worden beklommen. Hierdoor slaat de schildpad niet te pletter als het dier zich bij verstoring laat vallen om te ontkomen maar belandt in het water en kan zo ontsnappen. Voorbeelden van soorten waarvan beschreven is dat soms in bomen geklommen wordt zijn degrootkopschildpad (Platysternon megacephalum) en enkele soorten uit de familie modder- en muskusschildpadden (Kinosternidae).

Staart[bewerken]

Een schildpad heeft altijd een staart, bij veel soorten blijft deze klein maar de staart kan ook bijna net zo lang zijn als het schild. De staart heeft geen echte functie meer; een schildpad kan niet snel rennen als een hagedis, die de staart gebruikt als balans. Ook bij het zwemmen is de staart nutteloos, in tegenstelling tot een krokodil die de staart als peddel gebruikt. Bij veel soorten schildpadden zijn de mannetjes te onderscheiden van de vrouwtjes door een langere en dikkere staart.

De grootkopschildpadden hebben een staart die ongeveer de helft van de lichaamslengte is en vele driehoekige beenplaatjes draagt. De staart van deze soorten lijkt wat op die van een krokodilachtige.[5]

Inwendige anatomie[bewerken]

Schildpadden wijken fysiologisch sterk af van alle andere reptielen, het door botweefsel gevormde schild, de positie van de schoudergordel en de vorm van de bek. Anatomisch gezien zijn de verschillen kleiner; schildpadden hebben dezelfde organen als andere reptielen en een vergelijkbare bloedsomloop, spijsvertering en ademhaling. Schildpadden hebben altijd twee longen, in tegenstelling tot veel slangen, en zijn in het bezit van een urineblaas, die bij enkele groepen van reptielen ontbreekt.

Skelet en schedel[bewerken]

 
Het skelet van een schildpad, hier een Testudo- soort:
1: Schedel
2: Nekwervels
3: Schouderblad
4: Opperarmbeen
5: Ellepijp
6: Spaakbeen
7: Eerste vinger
8: Derde vinger
9: Vijfde vinger
10: Borstwervels
11: Plastron
12: Darmbeen
13: Staartwervels
14: Kuitbeen
15: Scheenbeen

Het skelet van een schildpad bestaat van snuit tot staartpunt uit de schedel (1), de halswervels (2), deschoudergordel (3) en voorpoten (4-9), de borstwervels (10) met de sterk afgeplatte ribben, debekkengordel (12) met achterpoten (14-15) en ten slotte de staartwervels (13). Aan de onderzijde van het schild is het plastron (11) aanwezig dat de buik beschermt.

Veel reptielen hebben 'gaten' in de schedel, die met een wetenschappelijker naam fanestrae of vensters worden genoemd en dienen als aanhechtingspunt voor de kaakspieren. Bij schildpadden ontbreken deze echter, waardoor de groep lange tijd tot de Anapsida werd gerekend, wat vrij vertaald vensterlozenbetekent. Andere reptielen worden tot de Diapsida (twee-vensterigen) gerekend, maar vermoed wordt dat ook de schildpadden tot deze groep behoren en dat de vensters zijn dichtgegroeid.[7]

De verschillende schedelbotten van schildpadden wijken af van die van andere reptielen, zo is het vierkantsbeen hol, het steekt aan de achterzijde van de kop uit en is zichtbaar aan de zijkant van de kop.[8] Het vierkantsbeen is net als het botje quadrato jugal vrij groot, het schubvormig schedelbeen ofsquamosum is aan de bovenzijde van de kop gepositioneerd. Bij de meeste primitieve reptielen, zoogdieren en vogels zijn vierkantsbeen en quadrato jugal juist vrij klein en worden aan de buitenzijde bedekt door een groot schubvormig schedelbeen.

Een schildpad heeft altijd 8 halswervels, die zeer beweeglijk zijn. Bij het in het schild terugtrekken van de kop wordt bij de schildpadden die behoren tot dehalswenders (Pleurodira) eerst de nek gebogen waarna de kop zijwaarts wordt teruggetrokken, de nek wordt langs de schildrand gebogen. Hierbij worden de halswervels in een S- vorm gebogen en kunnen zowel links- als rechtsom buigen. Bij de halsbergers (Cryptodira) kan de nek en de kop direct in het schild worden teruggetrokken, de halswervels bevinden zich dan binnen de schoudergordel.

Een voor gewervelden unieke aanpassing is de positie van de schoudergordel, deze bevindt zich tussen de ribben in het schild, evenals de bekkengordel. De botten van de voor- en achterpoten zijn gekromd en staan zijwaarts gericht. De borstwervels zijn vergroeid met de beenplaten en maken onderdeel uit van het schild, een schildpad heeft altijd 10 borstwervels.

Een schildpad heeft ten slotte 2 sacrale wervels (die het heiligbeen vormen) en ongeveer 20 tot 30 staartwervels. Deze zijn het kleinst, de staart is vooral aan de basis meer beweeglijk maar is verder relatief stijf. De staart wordt nooit direct teruggetrokken zoals de kop maar wordt altijd onder de schildrand geborgen.

Ademhaling[bewerken]

Schildpadden hebben longen en moeten regelmatig ademhalen. Veel soorten hebben een lange nek om in dieper water te kunnen leven en enkele soorten hebben zelfs een verlengde, steel-achtige neus. Vrijwel alle schildpadden kunnen goed zwemmen maar houden dat niet lang vol; in te diep water kan een schildpad zelfs verdrinken.

Een schildpad kan zijn lichaamsvolume in tegenstelling tot andere dieren niet vergroten door het harde schild; de longen kunnen hierdoor niet sterk uitzetten wat de ademhalingscapaciteit beperkt. Bij bedreiging moet een schildpad zelfs eerst alle lucht uit de longen persen om zijn kop en poten terug te kunnen trekken.
De longen van schildpadden zijn relatief groot en bevatten net als andere reptielen luchtpijpvertakkingen (bronchioles) die eindigen in longblaasjes (alveolen). Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld kikkers, die longen hebben die vergelijkbaar zijn met een lege zak. De longblaasjes vergroten het contactoppervlak aanzienlijk waardoor de gasuitwisseling efficiënter is. Spieren bij de voorpoten worden gebruikt om de longen verder uit te zetten, spieren tegen het longoppervlak dienen om de longen te ledigen.[9] Als aanvulling op de longademhaling hebben veel schildpadden zuurstof-opnemende slijmvliezen in andere delen van het lichaam, zoals in de keel. Ook zijn er soorten met dergelijke aanpassingen in de cloaca, het water wordt in- en uit de cloaca gepompt waarbij zuurstof aan het water wordt onttrokken. Aan het einde van de endeldarm is een gepaarde blaas aanwezig, het geheel wordt aangeduid als de anaalblazen. In water levende soorten kunnen met de sterk doorbloedde wanden van deze blazen zuurstof opnemen uit het water. Ze kunnen zo overwinteren op de bodem van het water terwijl deze bedekt is met een laag ijs. Een voorbeeld van een dergelijke soort is de fitzroyschildpad (Rheodytes leukops).

Schildpadden kunnen de lucht in de longen gecontroleerd van de ene naar de andere long verplaatsen. Dit wordt door waterbewonende soorten gebruikt als balans om zo hun zwaartepunt te veranderen. Dit is te vergelijken met de zwemblaas van vissen.[10] Waterschildpadden kunnen relatief lange tijd in zuurstofloze condities overleven, dit geldt voornamelijk voor zeeschildpadden zoals exemplaren die terechtkomen in visnetten.[11]

Spijsvertering[bewerken]

 
De uitwerpselen van de Europese moerasschildpad, een omnivoor, bevatten zowel plantaardige als dierlijke delen.

Vanwege het ontbreken van tanden kunnen schildpadden het voedsel niet vermalen. Ze snijden het voedsel met de scherpe, verhoornde rand van de bek in hapklare brokken die in één keer worden verzwolgen. Ter ondersteuning van de spijsvertering slikken schildpadden kleine steentjes in die het voedsel in de maag helpen vermalen. Deze 'maagstenen' worden gastrolieten genoemd. Het inslikken van stenen komt ook voor bij andere reptielen als krokodilachtigen, en loopvogels.

Het spijsverteringsstelsel is aangepast op het menu; soorten die veel planten eten hebben een dunne darm die veel langer dan de lichaamslengte kan zijn. Ze zijn in staat zo'n 30% van de in het voedsel aanwezige cellulosete verteren.[1] Typische vleeseters hebben een relatief korte dunne darm. Alle schildpadden hebben een bijzonder grote lever. Het is het grootste inwendige orgaan. De lever ondersteunt niet alleen de spijsvertering door gal aan te maken maar speelt ook een rol als de schildpad in een omgeving met een zeer lage temperatuur terecht komt. Dit komt voor bij op het land overwinterende schildpadden. De lever scheidt dan verbindingen uit die een met antivries vergelijkbare werking hebben.

Schildpadden hebben net als veel hagedissen een urineblaas, die bij andere reptielen zoals krokodilachtigen en slangen ontbreekt. De urine wordt net als de ontlasting uitgescheiden door de cloacaholte, die gelegen is aan de staartbasis en dwars op de lichaamsas gepositioneerd is.

Regeneratie[bewerken]

Schildpadden zijn tot op zekere hoogte in staat zware verwondingen te overleven doordat ze een goed ontwikkeld vermogen tot regeneratie hebben; het vervangen van beschadigde delen zoals het schild. Schildpadden staan bloot aan gevaren waartegen zelfs het harde schild ze niet tegen beschermt, zoals beten van krokodilachtigen of roofvogels die de schildpad van grote hoogte laten vallen om het dier te kraken. Scheuren in het schild zijn een vaak voorkomende verwonding en hoewel de genezing langzaam gaat kunnen schildpadden volledig genezen van dergelijke beschadigingen, al blijft de scheur vaak zichtbaar op het schild.

Ook bosbranden kunnen grote schade aanrichten aan het schild. Als de levende huidlaag tussen de beenschilden en de hoornschilden niet al te zwaar beschadigd is, groeien de hoornschilden geheel of gedeeltelijk weer aan.[1]

Een schildpad kan indien een poot wordt afgebeten door bijvoorbeeld een haai niet de gehele poot laten aangroeien maar is wel in staat dergelijke zware verwondingen te laten helen en zonder zichtbare moeite verder te leven. Een opmerkelijke waarneming werd gedaan door Deraniyagala, die beschreef dat de hoornschilden van karetschildpadden, nadat deze in kokend water werden gedompeld en van het schild werden verwijderd, geheel aangroeiden als de schildpad nog jong was.[1]

Zintuigen[bewerken]

 
Baarddraden aan de kin van de gekielde muskusschildpad (Sternotherus carinatus)

Schildpadden hebben een goed gezichtsvermogen, de ogen zijn complex. Omdat schildpadden net als vogels en andere reptielen vier soorten kegeltjes op het netvlies hebben, kunnen ze naast kleuren ook delen in hetultraviolette en infrarode spectrum waarnemen. Ook 's nachts kan de schildpad goed zien door het hoge aantalstaafjes op het netvlies. Ook kunnen ze onder water potentiële vijanden op de oever zien aankomen. Het gezichtsvermogen is een belangrijk zintuig om voedsel en vijanden op afstand te lokaliseren. Veel waterschildpadden kunnen uitstekend zien onder water, op het land echter is het gezichtsvermogen beperkt.

Met name in het water levende schildpadden hebben een goed ontwikkeld reukvermogen om voedsel op te sporen. Zowel levende prooidieren als in het water liggende karkassen van andere dieren worden opgespoord, veel waterschildpadden hebben aas op het menu staan. Tijdens de voortplantingstijd wordt de reukzin gebruikt om een soortgenoot van het andere geslacht te zoeken. Bij in water levende soorten kunnen de schildpadden elkaar zo over grote afstanden lokaliseren. Schildpadden hebben net als veel andere gewervelden een orgaan van Jacobson, dit reukorgaan heeft echter een afwijkende bouw in vergelijking met andere reptielen.[1]

Schildpadden hebben geen goed gehoor, omdat ze wel inwendige oorbotjes hebben, maar geen uitwendige gehooropening. Het trommelvlies is bedekt door de huid. De stijgbeugel (stapes) is recht en staafvormig. Schildpadden gaan voornamelijk af op trillingen in de bodem om potentiële vijanden en soortgenoten te lokaliseren. De trillingen verplaatsen zich via de achterpoten en het schild naar het binnenoor. Een schildpad kan voornamelijk lage tonen waarnemen.

Een aantal soorten schildpadden heeft kleine tastzintuigen aan de kin die te vergelijken zijn met de baarddraden van vissen. Deze worden gebruikt om zich te oriënteren in het water.

Schildpadden hebben een relatief klein stel hersenen dat echter hoog is ontwikkeld. Vooral de delen van de hersenen die gaan over de reuk, het zicht en hetevenwicht zijn goed ontwikkeld. Schildpadden zijn in het bezit van een goed geheugen en uit in gevangenschap gehouden exemplaren blijkt dat ze ook kunnen leren.[1] Van zeeschildpadden is bekend dat ze steeds terugkeren naar het strand waar ze zelf geboren zijn. Ze kunnen zich net als trekvogels over grote afstanden oriënteren maar het mechanisme hierachter is niet precies bekend.

Levenswijze[bewerken]

Thermoregulatie en jaar- en dagactiviteit[bewerken]

 
Schildpadden nemen graag een zonnebad, hier de lettersierschildpad in Rome, Italië.

Schildpadden zijn net als alle andere reptielen koudbloedig of meer specifiek ectotherm; ze kunnen zelf geen lichaamswarmte produceren. Dit is de reden dat vrijwel alle soorten in koude gebieden niet kunnen overleven en de meeste schildpadden in subtropische tot tropische gebieden voorkomen. Veel schildpadden zijn overdag actief maar moeten op het heetst van de dag schuilen of zijn gedwongen zich gedurende een heel hete of koele periode enige tijd te verschuilen.

Soorten die in meer gematigde streken zoals Centraal-Europa of Noord-Amerika leven houden eenwinterslaap. Schildpadden worden steeds trager als de temperatuur in de herfst lager wordt en eten steeds minder. Vlak voor de dieren hun zomer- of winterkwartier opzoeken stoppen ze volledig met eten, ze zijn nog enige tijd actief waarbij de laatste voedselresten worden uitgescheiden. Dit voorkomt dat de resten gaan rotten, een schildpad overwintert met een lege maag en teert op zijn reserves.[1] Het metabolisme van de schildpad staat gedurende deze tijd op een lager pitje.

Dit is ook de reden dat veel soorten zich het liefst zo vroeg mogelijk in het jaar voortplanten. Het nageslacht heeft zo langer de tijd zich te ontwikkelen en zo veel reserves op te bouwen om de volgende winter te overleven. Waterschildpadden kruipen weg in de modder van het water waar de temperatuur zelden lager is dan 4 graden, ze zijn soms al actief bij een watertemperatuur van 8 graden.

Landschildpadden moeten zich diep ingraven om niet te bevriezen, ze ontwaken pas bij een hogere temperatuur. Als bevriezing van het lichaam optreedt sterft het weefsel af en zal de schildpad niet meer ontwaken. Veel soorten hebben echter diverse trucjes om dit te voorkomen. Een voorbeeld is devierteenlandschildpad (Testudo horsfieldii), die met antivriesmiddel vergelijkbare stoffen in het bloed heeft en zo een temperatuur beneden het vriespunt kan overleven.[12]

Schildpadden zijn vaak dagactief, maar er zijn enkele uitzonderingen. Voorbeelden zijn veel modder- en muskusschildpadden en de matamata. Deze soorten zijn schemer- of nachtactief en trekken zich overdag terug. Ook de gopherschildpad is een schemeractieve soort, die leeft in zeer hete gebieden. Deze schildpad trekt zich overdag terug in zelfgegraven holen.[13]

Veel dagactieve soorten die in koele of gematigde gebieden leven nemen graag een zonnebad. Waterschildpadden zijn hierbij zeer tolerant; de dieren kruipen vaak op elkaar wat door de onderste dieren geduld wordt. Om de opname van warmte te bevorderen wordt het lichaam in de richting van de zon gekeerd waarbij de voorpoten worden afgeplat. De achterpoten worden gestrekt en met de platte kant richting de zonnewarmte gehouden. Ook de nek wordt gedraaid om een zo groot mogelijk lichaamsoppervlak bloot te stellen aan de zon.

Door het nemen van een zonnebad worden schildpadden sneller en actiever. Bovendien versnelt een hogere lichaamstemperatuur net als bij alle reptielen despijsvertering aanzienlijk. Door de isolerende werking van het schild kan de warmte een tijdje opgeslagen worden, het effect hiervan is echter gering.
Een bijzondere soort is de lederschildpad (Dermochelys coriacea), die dankzij de permanent zwemmende levenswijze een verhoogde lichaamstemperatuur heeft ten opzichte van zijn omgeving. Hierdoor kan de schildpad zelfs in de poolwateren naar voedsel zoeken.

Schildpadden kunnen door hun schubbenhuid niet zweten om af te koelen en moeten bij hitte verkoeling zoeken in het water of schuilen in een hol onder de grond. Landbewonende soorten graven vaak hun eigen hol, waterschildpadden zoeken meestal het water op bij hete omstandigheden. Landschildpadden nemen graag een modderbad ter verkoeling, dit dient ook om van parasieten af te komen. Als er in langdurig hete perioden geen voedsel aanwezig is vanwege de droge omstandigheden, trekken sommige soorten zich enkele weken tot maanden terug in een hol. Deze rustperiode wordt overzomering ofaestivatie genoemd.

Voortplanting en ontwikkeling[bewerken]

 
Paring van de klokschildpad.
 
Eiafzet van de klokschildpad.
 
Juveniele klokschildpadden graven zich uit.

Schildpadden hebben een vrij uniforme manier van voortplanting en ontwikkeling. Alle soorten leggen eieren die begraven worden waarna de juvenielen zich enige tijd later uitgraven en zich relatief langzaam ontwikkelen. In tegenstelling tot andere reptielen zoals krokodilachtigen en sommige hagedissen kent geen enkele soort enige vorm van broedzorg, waardoor de juvenielen er alleen voor staan.

Geslachtsonderscheid[bewerken]

Mannetjes en vrouwtjes zijn te onderscheiden door wat afwijkende kenmerken die echter niet altijd goed te zien zijn. Mannelijke schildpadden blijven over het algemeen kleiner en lichter dan vrouwtjes. Bij schildpadden komt een kleuromslag bij de mannetjes in de paartijd zoals bij hagedissen in principe niet voor. Een zeldzame uitzondering is decallagurschildpad, waarvan het mannetje een witte kop krijgt met rode en blauwe vlekken.

Typische geslachtsonderscheidende kenmerken die voor de meeste soorten gelden zijn;

  • Mannetjes hebben een dikkere en langere staart.
  • Mannetjes hebben een soort kuil in het buikpantser, vrouwtjes een plat buikpantser; zo blijft het mannetje makkelijk op het vrouwtje zitten bij de paring, met een plat buikpantser zou hij eraf glijden.
  • Mannetjes hebben langere nagels; ook dit dient onder andere om beter op het vrouwtje te klimmen bij de paring.
  • Bij sommige soorten hebben de mannetjes sporen aan de binnenzijde van de dijen, dit zijn kleine, stekelachtige uitsteeksels die bij vrouwtjes ontbreken.
Paring[bewerken]

Schildpadden kennen een inwendige bevruchting, waarbij het mannetje zijn sperma direct in de vrouwelijke geslachtsopening brengt. Alle soorten leggen zonder uitzondering eieren.

De voortplantingstijd van een schildpad is soortspecifiek. Voordat de paring plaatsvindt, vechten rivaliserende mannetjes vaak door tegen elkaar te beuken. Schildpadden kennen een balts die ook weer verschilt per soort. Bij veel waterschildpadden hebben de mannetjes zeer lange nagels aan de voorpoten, die ze gebruiken om naar het vrouwtje te waaieren. Landbewoners achtervolgen elkaar, waarbij de mannetjes de vrouwtjes bijten. Dit agressieve gedrag komt bij wel meer reptielen voor zoals de hagedissen, die het vrouwtje zo met de bek vasthouden tijdens de paring. Bij schildpadden echter wordt het bijten van het mannetje beloond met een betere toegang tot de cloaca van het vrouwtje.
Een schildpad is eenvoudig beschouwd een schild met een lichaam erin, wat vergelijkbaar is met een ballon: als de ene kant wordt ingedrukt, stulpt de andere kant uit. Als het vrouwtje haar kop en nek aan de voorzijde intrekt, wordt haar cloaca zo makkelijker toegankelijk.[1]

De mannetjes hebben vrijwel altijd een enkelvoudige penis, alleen de weekschildpadden hebben een enigszins gevorkte penis voor een betere toegang tot decloaca van het vrouwtje. Een volledig gespleten penis of 'hemipenis' is overigens normaal bij andere reptielen als slangen en hagedissen.
De paring van waterbewonende schildpadden vindt plaats in het water, strikt landbewonende soorten paren op het land. Bij de paring van landbewonende schildpadden gaat het mannetje op de achterpoten staan en hijst zich met de voorpoten gedeeltelijk op het vrouwtje. De pose lijkt nog het meest op de houding die bij mensen de hondjeshouding wordt genoemd. Het mannetje maakt schokkende bewegingen en spert de bek tijdens de paring open. Ook worden, met name bij de grotere soorten, hijgende, grommende of zelfs luid gillende geluiden gemaakt die voor reptielen hoogst ongebruikelijk zijn. Het vrouwtje daarentegen maakt meestal een gelaten indruk, soms wandelt ze tijdens de paring verder en neemt het mannetje zo letterlijk op sleeptouw, ook vrouwtjes die de copulatie al etend doorbrengen zijn wel beschreven.[1]

Eiafzet[bewerken]

Schildpadden zijn zonder uitzondering ovipaar, ofwel eierleggend. Omdat het produceren van eitjes veel energie van een vrouwtje vergt, worden niet altijd ieder jaar nakomelingen geproduceerd zoals bij de meeste gewervelden. De eieren worden bijna altijd begraven in de bodem, vrijwel altijd wordt een zanderige locatie opgezocht. Meestal wordt een ondiepe kuil gegraven waarin de eieren worden gedeponeerd en de kuil wordt vervolgens dichtgegooid met de achterpoten. Als de grond te droog is wordt deze door een aantal soorten bevochtigd met vloeistoffen uit de darm.

Veel soorten zeeschildpadden trekken ieder jaar naar bepaalde stranden om daar de eitjes af te zetten. Dit wordt ook wel arribada genoemd. Dit zijn altijd dezelfde stranden, omdat de dieren erg strikt zijn is goed te voorspellen wanneer ze weer aan land komen. Ze graven eerst een kuil om zich in te verbergen tijdens de eiafzet, daarna graven ze het nest. Tijdens het leggen verkeren de vrouwtjes in een soort trance waarbij ze gemakkelijk te benaderen en zeer kwetsbaar zijn.

Bij zeeschildpadden verlaten de jonge dieren gelijktijdig het nest om zo de overlevingskansen te vergroten, dit is echter niet bij alle soorten het geval. Ook is bekend dat de juvenielen van Chrysemys picta in het ei kunnen overwinteren.

Ei[bewerken]
 
Een Griekse landschildpad kruipt uit het ei.

De eieren van schildpadden zijn ovaal tot kogelrond van vorm en wit tot witgeel van kleur. Ze kunnen een heel zachte schaal hebben of een meer verkalkte schaal. De eieren van alle soorten hebben een poreuze schaal zodat zuurstof kan worden onttrokken aan de omgeving en water worden uitgescheiden. Schildpaddeneieren worden meestal op het land afgezet omdat de embryo's zuurstof nodig hebben en dit niet uit het water kunnen onttrekken. Er zijn echter uitzonderingen, zo legt Chelodina rugosa de eieren onder water van uitdrogende waterpoelen. Andere eieren komen juist uit onder water, zoals die van de Nieuw-Guinese tweeklauwschildpad(Carettochelys insculpta). Hierdoor komen de eieren gesynchroniseerd uit tijdens de regentijd.

Een aantal schildpadden, zoals alle zeeschildpadden, produceren grote legsels. Andere schildpadden, zoals soorten uit de geslachten Homopus en Pyxis, leggen maar één ei per legsel. Beide tactieken dienen om het kroost zo veel mogelijk overlevingskansen te bieden. Bij soorten die maar een enkel ei afzetten, is het embryo verder ontwikkeld dan bij soorten met veel eieren. Bij soorten die veel eieren afzetten is de vorm van het ei rond, bij soorten die weinig eieren produceren is het ei meer ovaal van vorm.[9] Schildpadden kunnen meerdere legsels per seizoen produceren, tot meer dan tien per jaar bij sommige zeeschildpadden.

Schildpadden hebben geen geslachtschromosomen; het geslacht wordt bepaald door de omgevingstemperatuur tijdens de incubatieperiode. Een lagere temperatuur zorgt voor een mannetje, een hogere voor een vrouwtje, dit wordt temperatuurafhankelijke geslachtsbepaling genoemd. Er zijn echter uitzonderingen bekend waarbij het geslacht niet bepaald wordt door de omgevingstemperatuur.

Jonge schildpadden[bewerken]
 
Een jonge muskusschildpad heeft nog drie duidelijke kielen op het schild, die later verdwijnen.

Enkele weken tot maanden nadat de eitjes zijn afgezet kruipen de jongen uit het ei en graven zich uit. Schildpadden hebben als ze uit het ei kruipen een zogenaamde eitand, die alleen dient om het ei te openen en daarna al spoedig loslaat. Soorten die op het land leven, verspreiden zich over het land, soorten die in water leven zoeken zo snel mogelijk het water op.

Bij de schildpadden valt op dat de jongen soms totaal niet op de ouders lijken. Het schild is altijd platter, maar ook de vorm van het schild en de tekeningen op zowel schild als huid kunnen zeer sterk afwijken. De schildrand heeft bij veel soorten doornachtige uitsteeksels aan de achterzijde van het schild en is vaak voorzien van opstaande lengtekielen, deze kenmerken vervagen naarmate de schildpad groeit en ouder wordt. Van enkele schildpadden werd vanwege het grote verschil in jeugd- en volwassen vorm zelfs lange tijd gedacht dat de jongen en de volwassen dieren twee verschillende soorten waren. Ook het voedsel is vaak anders, de jongen eten vrijwel altijd meer dierlijk materiaal dan de volwassen exemplaren, dit komt doordat ze sneller groeien en als gevolg hiervan meer dierlijke eiwitten nodig hebben.

Volwassen schildpadden[bewerken]

Als een schildpad eenmaal volwassen is, blijft het dier zijn hele leven groeien, al groeien heel oude exemplaren zeer langzaam. De schildvorm blijft vaak veranderen maar niet meer zo drastisch. Heel oude schildpadden hebben vaak een platter en langer schild dan recent volwassen geworden exemplaren, hoewel dit enigszins per soort verschilt. Sommige schildpadden krijgen juist een meer bulterig schild, het centrum van iedere bult wordt gevormd door het midden van een hoornplaat. De oudere dieren verliezen de helderheid van de kleurentekening en hebben vaak een enigszins verweerd schild, dat vaak littekens draagt van aanvallen van vijanden zoals roofvogels of krokodilachtigen.

Schildpadden doen er erg lang over om volwassen te worden en zich voort te planten. Hierdoor zijn schildpadden relatief kwetsbaar. Ze kunnen echter zeer oud worden, de kleinste soorten bereiken gemakkelijk een leeftijd van twintig tot veertig jaar. Grotere soorten kunnen meer dan honderd jaar oud worden en de alleroudste exemplaren die bekend zijn werden ruim 150 jaar oud.

Voedsel en jacht[bewerken]

 
Gespecialiseerde soorten leven van grassen en hebben net als andereplanteneters een zeer lang darmstelsel.

Schildpadden kunnen carnivoor (vleesetend), herbivoor (plantenetend), of omnivoor (allesetend) zijn. Veel waterschildpadden leven voornamelijk van dierlijk materiaal, zoals vissen, slakken, insecten, wormen, kleinekreeftachtigen en amfibieën. Slechts enkele soorten kunnen als bijzonder roofzuchtig worden beschouwd, zoals de bijtschildpad, die indien de kans zich voordoet ook watervogels grijpt. Ook aas wordt door veel schildpadden gewaardeerd. De meeste schildpadden eten naast dierlijk materiaal ook plantendelen als bladeren, fruit, zadenen wortels.
Soms komt een sterke voedselspecialisatie voor zoals de lederschildpad die voornamelijk van kwallen leeft, dekaretschildpad eet vooral sponsdieren. Veel soorten hebben een hoge voorkeur voor bepaalde prooidieren, zoals de Madagaskar-scheenplaatschildpad (Erymnochelys madagascariensis), die voornamelijk leeft van deslanke knobbelhoren, een puntslak.[14]

Landschildpadden zijn de enige groep van schildpadden die hoofdzakelijk van planten leven, ze eten meestalgrassen, kruidachtige planten en vruchten. Schildpadden hebben een zeer goed ontwikkeldspijsverteringsstelsel, waardoor sommige soorten alleen van gedroogde grassen kunnen leven, zie ook onder het kopje spijsvertering. Ook de hierin levende slakken en andere ongewervelden worden gegeten, deze dieren zijn waarschijnlijk geen 'bijvangst' maar maken wezenlijk onderdeel uit van het menu. Van enkele soorten is beschreven dat ook aas (necrofaag) en mest (coprofaag) wordt gegeten.

Omdat schildpadden koudbloedig zijn en hun fysiologie en gedrag erop zijn ingesteld om zo min mogelijk te bewegen, kunnen ze overleven in omgevingen met weinig voedsel. Jonge schildpadden daarentegen moeten nog groeien en hebben meer dierlijke eiwitten nodig. Naarmate ze ouder en groter worden gaan ze steeds meer planten eten, dit komt ook voor bij de hagedissen, een voorbeeld is de groene leguaan. Met name jonge maar ook oudere schildpadden hebben veel kalk nodig voor de opbouw van het skelet zoals de beenplaten van het schild.

Jacht[bewerken]

De schildpad komt aan voedsel door actief te foerageren en struint de omgeving af op zoek naar voedsel, gebruikmakend van het goed ontwikkelde gezichts- en reukvermogen. Enkele soorten hebben bijzondere manieren ontwikkeld om aan voedsel te komen:

  • Van de bosbeekschildpad (Glyptemys insculpta) is bekend dat met lichaam trillingen worden gemaakt die door de voorpoten naar de bodem worden geleid. Ondergronds levende ongewervelden, zoals regenwormen, raken hierdoor in de veronderstelling dat het regent en komen snel bovengronds waar ze door de schildpad worden opgegeten.[15]
  • De alligatorschildpad (Macrochelys temminckii) heeft een tong met twee worm-achtige aanhangsels, die zeer dun en roze van kleur zijn. De schildpad ligt op de bodem van een rivier met een geopende bek en beweegt de aanhangsels van de tong waardoor vissen die graag wormen eten worden aangetrokken en naar de bek van de schildpad zwemmen. Zodra de vis binnen bereik is klapt de schildpad zijn bek dicht en is de prooi gevangen.[16]
  • Veel waterschildpadden zoals de matamata (Chelus fimbriatus) kunnen de keel snel en sterk uitzetten om zo prooidieren naar binnen te zuigen.[17]

Vijanden en verdediging[bewerken]

 
Een Amerikaanse blauwe reiger met een buitgemaakte jonge bijtschildpad.

De belangrijkste vijand van de schildpad is uiteraard de mens, zie voor de niet-natuurlijke bedreigingen het kopjeBedreigingen door de mens.

De eieren van schildpadden worden opgegraven door verschillende vijanden, van krabben en mieren tot gravende zoogdieren en sommige hagedissen. Ook jonge schildpadden worden door van alles belaagd omdat ze nog geen groot en hard schild hebben. Verschillende dieren als vissen, in water levende zoogdieren envogels pikken er graag eentje uit het water. De volwassen exemplaren echter hebben niet veel natuurlijke vijanden vanwege het ontwikkelde schild. Alleen krokodilachtigen hebben kaken die krachtig genoeg zijn om het zeer harde schild van grote zoetwaterschildpadden te kraken. Een voorbeeld is de ruitkrokodil (Crocodylus rhombifer), die voor een belangrijk deel leeft van moerasschildpadden. De tanden achterin de bek van deze krokodil zijn breder dan de tanden voor in de bek, wat een aanpassing is op het kraken van het schild.[18] Bij veel oudere zoetwaterschildpadden die leven in streken waar ook krokodilachtigen voorkomen draagt het schild de littekens van confrontaties met deze belangrijke vijand. Soms worden schildpadden door grote roofdieren als hond- en katachtigen gedood en gegeten, voorbeelden zijn coyotes en panters. Zeeschildpadden worden voornamelijk door haaien en de zeekrokodil belaagd, die de schildpad aan stukken scheuren.

Het schild is voor veel rovende vogels zoals kraaien te hard. Schildpadden worden soms gedood door roofvogels zoals de Amerikaanse zeearend. Omdat ook deze vogels niet in staat zijn het schild te kraken, wordt de schildpad opgepakt en mee de lucht in genomen. De vogel laat zijn prooi op grote hoogte vallen waarna de schildpad te pletter slaat en de vogel bij het vlees kan komen. Volgens de overlevering zou de Griekse dichter Aischylos aan zijn einde zijn gekomen door een vallende schildpad die het hoofd trof.

Naast roofdieren vallen schildpadden ten prooi aan parasieten als wormen, mijten, teken en lagere organismen zoals schimmels en bacteriën. Gezonde schildpadden hebben hier weinig last van, alleen bij zieke of verzwakte exemplaren kunnen parasieten gevaarlijk zijn. Berucht zijn parasieten op schildpadden die gevangen worden in het wild en verkocht worden als huisdier. Parasieten worden net als de drager in een kunstmatige omgeving geplaatst en vinden er ideale omstandigheden. Ze worden er niet in hun groei en ontwikkeling geremd en kunnen met name bij exemplaren die door een slechte huisvesting verzwakt raken gaan woekeren en leiden tot een snelle dood van de schildpad. Ook de eigenaar is niet gevrijwaard van gevaarlijke parasieten, zie ook het kopje Schildpadden in gevangenschap.

Verdediging[bewerken]De Carolina-doosschildpad (Terrapene carolina) met omhooggeklapt buikpantser. Bovenaan de onderzijde (voorzijde boven), onderaan een zij-aanzicht (voorzijde links).
 
 

Schildpadden hebben gedurende hun evolutie voornamelijk geïnvesteerd in de ontwikkeling van een goede verdediging, wat geresulteerd heeft in het relatief zeer sterk schild dat door maar weinig vijanden kan worden gekraakt. Waterschildpadden hebben een minder sterk gepantserd schild en zijn in de regel erg schuwe dieren. Ze leiden een verborgen levenswijze en laten zich weinig zien, een aantal soorten is nachtactief. Dagactieve soorten die veel zonnen doen dit altijd in de directe nabijheid van oppervlaktewater en duiken bij de minste of geringste verstoring in het water. De meeste soorten zwemmen naar de bodem en schuilen hier een tijdje om later voorzichtig de kop boven water te steken en de omgeving nauwkeurig verkennen voor het land weer wordt betreden.

Landschildpadden zijn vaak minder schuw, veel grotere soorten hebben geen natuurlijke vijanden meer vanwege hun omvang en gewicht. Kleinere landschildpadden hebben een zeer hard schild en kunnen zich vaak volledig terugtrekken zodat een vijand niet meer bij de schildpad kan komen. De kop wordt teruggetrokken en de voorpoten worden ter bescherming voor de kop gevouwen. De meest ontwikkelde vormen vinden we bij de klepschildpadden, deklapborstschildpadden en de doosschildpadden. Klepschildpadden (geslacht Kinixys) hebben een scharnierend carapax, de achterzijde van het rugschild kan omlaag worden geklapt. Zo worden de achterpoten en staart goed beschermd, het lijkt nog het meest op het vizier van een helm dat omlaag kan worden geklapt. Klapborstschildpadden (families Pelomedusidae en Podocnemididae) hebben een scharnierend buikpantser dat aan de voorzijde omhoog geklapt kan worden, wat dient om bij gevaar de kop en voorpoten te beschermen.
Doosschildpadden gaan nog verder; bij deze soorten is het buikpantser aan beide kanten scharnierend: zowel aan de voor- als achterzijde. Het buikpantser wordt aan beide kanten omhoog geklapt, waardoor zowel de achterpoten en staart als de voorpoten en kop volledig in het schild worden opgeborgen en aan het oog worden onttrokken. Er zijn twee geslachten van doosschildpadden, Terrapene en Cuora, die tot verschillende families behoren waardoor er waarschijnlijk sprake is van convergente evolutie.

De spleetschildpad (Malacochersus tornieri) heeft als een van de weinige soorten een heel plat schild en wordt daardoor ook wel pannenkoekschildpadgenoemd. Deze soort kan zich met zijn schild verankeren in een rotsspleet zodat het dier onbereikbaar is voor vijanden.

Schildpadden laten een waterige vloeistof lopen als ze worden opgepakt om de belager af te schrikken. Deze vloeistof bestaat niet uit ontlasting of urine zoals vaak gedacht wordt, maar is afkomstig uit de anaalblazen.

Daarnaast hebben veel schildpadden geurklieren die een verschrikkelijk stinkende stof afscheiden om belagers op afstand te houden. Deze muskus-achtige geur wordt overigens ook gebruikt om een partner op te sporen in de voortplantingstijd. Het bekendste voorbeeld hiervan zijn de soorten uit het geslachtSternotherus, die hier hun naam aan te danken hebben en bekendstaan als de muskusschildpadden. Bij sommige soorten zijn de geurklieren in het ei al actief.

Naast scharnierende kleppen en smerige geuren hebben schildpadden een scherpe bek (schildpadden hebben geen tanden) en sterke kaakspieren waarmee een beet kan worden uitgedeeld die men nog lang zal heugen. De beet van de kleinste soorten kan bij de mens al bloederige verwondingen veroorzaken. Schildpadden steken hun nek tijdens de bijtreflex zo ver mogelijk uit, ze kunnen zo een vijand onverwachts bijten omdat het bereik groter is dan door de belager wordt ingeschat.

Grotere soorten kunnen een flinke hap uit het weefsel nemen waardoor aderen en slagaderen kunnen worden geraakt wat tot gevaarlijk bloedverlies kan leiden. Heel grote soorten, zoals zeeschildpadden, kunnen met hun beet een vinger afbijten. Een beruchte soort is de bijtschildpad (Chelydra serpentina), die door de buitenproportioneel grote kop en zeer krachtige kaken met gemak een vinger of zelfs een hand kan afbijten.[19] Ook de warana (Lepidochelys olivacea) heeft een zeer beruchte beet en werd om deze reden door de bioloog Deraniyagala hondschildpad genoemd.

Schildpadden en de mens[bewerken]

 
De haas en de schildpad is een bekende fabel van Aesopus.

Schildpadden worden over het algemeen als vredelievend en aandoenlijk beschouwd terwijl de meeste mensen bang zijn voor andere reptielen als hagedissen en slangen. Schildpadden zijn in de regel niet agressief en trekken zich bij gevaar terug in het schild, er zijn echter bijtgrage uitzonderingen.
Schildpadden worden daarnaast gezien als sloom, zoals de schildpad uit het verhaal van de haas en de schildpad. In werkelijkheid kunnen veel soorten zich verbazingwekkend snel uit de voeten maken of zeer snel weg zwemmen, al houden ze dat niet lang vol.

Schildpadden spelen al sinds lange tijd een rol in het leven van de mens, zo wordt al sinds mensenheugenis op schildpadden gejaagd om het vlees te kunnen eten. In verschillende culturen spelen schildpadden een rol, zo wordt de Yangtze-weekschildpad (Rafetus swinhoei) in China gezien als de god Kim Qui.[20] In het hindoeïsmeverscheen Vishnoe in de tweede avatara in de gedaante van de schildpad Koerma. In de boeken van Terry Pratchett rust de schijfwereld op het schild van een gigantische soepschildpad.

Uit vroeger tijden zijn vele gebruiksvoorwerpen bekend die werden gemaakt van de hoornschilden van schildpadden. Eenmaal gepolijst was de stof vanwege de bonte kleuren en het vaak gevlamde kleurpatroon van het schild erg populair, schildpadhoorn is daarom altijd erg kostbaar geweest. Voorbeelden zijn kammen,amuletten en sieraden, ook werden meubelstukken als schilderijlijsten en kabinetten ter decoratie beplakt met schildpadhoorn. Met name het schild van de karetschildpad (Eretmochelys imbricata) en de onechte karetschildpad (Caretta caretta) zijn populair. Sinds de jaren 60 is de vervaardiging van schildpadproducten verboden.

Schildpadden in de moderne cultuur[bewerken]

Schildpadden spelen een rol in diverse (teken)films en verhalen, enkele bekende fictieve schildpadden zijn:

Bekende schildpadden[bewerken]

Een meer bekende schildpad was de Galapagosreuzenschildpad "Lonesome George" (eenzame George), omdat deze de laatste van zijn soort was. Met zijn overlijden op 24 juni 2012 is de soort uitgestorven. Ook Harriet was tot haar dood in 2006 een bezienswaardigheid in de Australische dierentuin vanwege haar hoge leeftijd van ongeveer 175 jaar. Deze Galapagosreuzenschildpad werd lange tijd beschouwd als een mannetje en droeg tot de ontdekking dat het een vrouwtje betrof de naam Harry. Een andere zeer oude schildpad was Tu'i Malila, een stralenschildpad die stierf in 1965 en toen 188 of 192 jaar oud was.

Schildpadden kunnen vanwege hun trage metabolisme erg zwaar, groot en vooral erg oud worden. Zeeschildpadden zijn recordhouders als het gaat om snelst zwemmende viervoeters, ze kunnen een snelheid bereiken van 35 kilometer per uur. Enkele bekende schildpaddenrecords zijn:

  • Oudste schildpad: De oudste schildpad waarvan de leeftijd is bevestigd is Tu'i Malila, die een leeftijd van ten minste 188 heeft bereikt.[21] Een ander zeer oud geworden exemplaar is Adwaitya, dit was een seychellenreuzenschildpad die een leeftijd van 255 jaar zou hebben bereikt.[22] Hier is echter geen hard bewijs voor.
  • Grootste schildpad: de lederschildpad kan meer dan 1,5 meter lang worden en is de grootste soort. Het record is een exemplaar van 2,74 meter.
  • Zwaarste schildpad: de lederschildpad is tevens de zwaarste soort, gemiddeld wordt deze schildpad 450 kilo, het zwaarste exemplaar woog 863 kilo.
  • Grootste schildpad in Nederland: het Nederlands record staat op 2,44 meter totale lengte (schild 1,58 meter).[23] Ook dit was een lederschildpad die aanspoelde op Ameland.
  • Kleinste schildpad: de platte schildpadden uit het geslacht Homopus blijven het kleinst van alle landschildpadden, de allerkleinste is de gezaagde platte schildpad met een gemiddelde schildlengte van 9,6 centimeter.[24]
  • Kleinste zeeschildpad: dit is Kemps schildpad (Lepidochelys kempii), die ongeveer 65 centimeter lang wordt. Het is tevens de zeldzaamste zeeschildpad.[25]
  • Zeldzaamste schildpad: de onechte spitskopschildpad heeft een zeer klein verspreidingsgebied , er zijn nog slechts 100-200 exemplaren in het wild waarvan de meeste nog niet volwassen zijn.[26]

Bedreiging en bescherming[bewerken]

Er zijn tegenwoordig ongeveer 340 soorten schildpadden, met een groot aantal daarvan gaat het niet zo goed, voornamelijk door toedoen van de mens. Om de sterkst bedreigde soorten wat meer aandacht te geven, heeft de organisatie Turtle Conservation Fund (TCF) een lijst samengesteld van de 25 meest bedreigde soorten schildpadden.[27]

Bedreigingen door de mens[bewerken]

 
Tot enkele decennia geleden werd op grote schaal jacht gemaakt opsoepschildpadden.

Er zijn vele soorten die in aantal en verspreidingsgebied achteruitgaan door voornamelijk vernietiging van de habitat, vervuiling, verdroging en met name het vangen van exemplaren in het wild voor de handel in exotische dieren of voor verwerking tot voedsel of goederen als souvenirs en sieraden. Het bewerkte schild van schildpadden wordt wel schildpad of karet genoemd.

De handel in exotische dieren heeft een veel grotere impact op schildpadden dan vele andere dieren. Dit komt doordat schildpadden er relatief zeer lang over doen om volwassen te worden. In de natuur wordt dit gecompenseerd doordat de eenmaal volwassen exemplaren ook relatief zeer oud kunnen worden en zich hun hele leven kunnen voortplanten. Hierdoor zijn schildpadden kwetsbaar omdat de populaties zich niet goed kunnen herstellen als veel volwassen exemplaren verdwijnen. De populatie wordt onvoldoende aangevuld met juveniele dieren waardoor deze kleiner wordt of zelfs geheel verdwijnt.[28]

Veel Chinese soorten zijn heel zeldzaam geworden. Dit wordt veroorzaakt door grootschalige illegale vangst voor de handel in exotische dieren. Als een schildpad zeldzamer wordt ontstaat een soort vicieuze cirkel, omdat de soort meer geld waard is. Door de prijs en de opkomende economie van veel Aziatische landen zijn schildpadden een luxe artikel geworden en worden in toenemende mate gegeten als delicatesse in plaats van uit voedselgebrek (bushmeat). Enkele tientallen soorten zijn hierdoor op de rand van uitsterven gebracht.[28] Van de 25 meest bedreigde soorten ter wereld leven er twaalf in Azië.[27] Deze problematiek wordt ook wel de Asian Turtle Crisis (Aziatische schildpaddencrisis) genoemd. Het grootste probleem is dat wanneer de import van een schildpadsoort verboden wordt, deze soort enorm in prijs omhoog schiet en bovendien andere soorten er de dupe van worden omdat deze nu als alternatief worden gezien. Het feit dat de driestreep-water-doosschildpad nu in de problemen zit, is waarschijnlijk het gevolg van het langzaam verdwijnen van een andere soort, de Ambonese doosschildpad (Cuora amboinensis).

 
Een zeeschildpad is verstrikt geraakt in een net.

Een ander nadeel van schildpadden in de dierenhandel is het dumpen of ontsnappen van exemplaren in de natuur, waardoor de dieren als exoot de lokale soorten kunnen beconcurreren.[28] In gematigde landen zoalsNederland, waar van nature geen schildpadden voorkomen, kunnen schildpadden zich wel in leven houden maar ze kunnen zich niet voortplanten. In warmere landen echter ontwikkelen deze soorten zich in het ergste geval tot een invasieve soort, die de plaats inneemt andere soorten. Een voorbeeld is de aanwezigheid van de roodwangschildpad in Australië, die een grote bedreiging vormt voor de inheemse soorten. Naast de beruchte reuzenpad en de karper is de schildpad een van de schadelijkste invasieve soorten van Australië.[29]

Sommige schildpadden worden gekweekt in schildpaddenfarms, net als veel krokodilachtigen maar deze laatste worden gekweekt om de huid en het vlees, de schildpadden met name voor de handel. Het kweken van schildpadden in gevangenschap dient twee doelen; zowel commerciële als ecologische. In de natuur is de sterfte zeer hoog onder de juvenielen, net als bij krokodilachtigen, maar in een kwekerij zijn er nauwelijks verliezen waardoor een relatief klein aantal hoeft te worden uitgezet om de populaties aan te vullen. Zo blijft een relatief groot aantal beschikbaar voor de dierenhandel. Bij de schildpadden wordt het kweken in farms overigens op een beperkte schaal toegepast in vergelijking met krokodilachtigen.

Door al deze bedreigingen zijn de schildpadden een van de sterkst bedreigde diergroepen ter wereld. Sommige soorten, zoals de soepschildpad, worden door natuurbeschermingsorganisaties zelfs gebruikt als icoon voor met uitsterving bedreigde diersoorten.

Naast directe bedreigingen als landschapsverandering of het doden van de reptielen is ook de introductie van gedomesticeerde dieren soms schadelijk voor schildpadden. Verschillende soorten reuzenschildpadden van de Galapagoseilanden zijn sterk in aantal achteruitgegaan omdat grazende dieren als geiten de vegetatie opaten waardoor er voor de schildpadden te weinig voedsel overbleef.[30]

Consumptie[bewerken]

 
Een waterschildpad wordt bereid op een markt in Hanoi, Vietnam.
 
Schildpaddenbloed wordt beschouwd als delicatesse in Japan.

Veel soorten schildpadden worden zelfs met uitsterven bedreigd vanwege hun smakelijke vlees, het bekendste voorbeeld is de soepschildpad. Schildpadden worden in Europa niet met voedsel geassocieerd maar in andere culturen is schildpaddenvlees een belangrijk onderdeel van de traditionele keuken. Uit vondsten in de Olduvaikloof is bekend dat schildpadden al 2 miljoen jaar geleden werden gegeten.[9] Het vlees van schildpadden wordt gezien als lekkernij, het wordt onder andere verwerkt in schildpadsoep. De soepschildpad heeft aan het smakelijke vlees zijn naam te danken. In tegenstelling tot andere zeeschildpadden leven volwassen exemplaren uitsluitend van zeegras, waardoor het vlees veel minder tranig smaakt.[1] Een andere soort die bekendstaat om het smakelijke vlees is debijtschildpad uit Noord-Amerika, deze soort werd al door de indianen gegeten en ook de Amerikaanse kolonisten aten graag schildpaddenvlees.

Met name in Azië kent men vele traditionele gerechten waarin schildpadden zijn verwerkt. Een voorbeeld is "Turtle Bacon Belly" uit China, waarin schildpaddenvlees wordt gemengd met andere soorten vlees (runderen, varkens) en vis. Zelfs het bloed van schildpadden wordt in Azië geconsumeerd. In sommige streken worden de eieren van schildpadden gezien als een delicatesse en worden ze geraapt voor consumptie. De eitjes van schildpadden zijn wel eetbaar, maar worden van binnen niet hard na het koken, zoals bij een kippenei. Dit komt doordat er andere eiwitten in het ei zitten dan bij vogeleieren.[31] Ook is de schaal van het ei minder hard dan de schaal van een vogelei.

Een belangrijke afzettingsmarkt van in het wild gevangen schildpadden is de traditionele Chinese keuken en het rotsvaste geloof in alternatieve medicijnen. Aan schildpadden zoals de driestreepdoosschildpad (Cuora trifasciata) wordt door de Chinezen een heilzame werking toebedeeld, het eten van het vlees zou zelfs effectief zijn tegen kankeren aan veel producten wordt een potentieverhogende werking toebedeeld. Verschillende delen van de schildpad worden gebruikt als traditioneel medicijn, zoals het vlees, het bloed of de gal. Ook worden onder andere de kop, het schild, de botten, het vlees, de eieren en sommige ingewanden beschouwd als werkzaam. Het nuttigen van het schild zou onder andere de 'lever kalmeren' en hoesten, nachtelijk zweten, nieraandoeningen en het uitblijven van de menstruatie genezen. De galblaas helpt volgens de Chinezen tegen overgevoeligheid, schildpadeieren zijn goed tegen diarree en dysenterie.[32] Het schild of de hoornschilden worden gedecoreerd en als amulet gebruikt. In het oude China werden schildpadden beschouwd als een van de 5 heilige dieren en speelden een rol als orakel.

Uit onderzoek is nooit gebleken dat deze veronderstellingen juist zijn. Desondanks worden er vanuit de hele wereld schildpadden van uiteenlopende soorten in grote hoeveelheden gevangen en verscheept naar de Aziatische voedselmarkten om aan de snel stijgende vraag te voldoen.

Beschermingsmaatregelen[bewerken]

Eitjes van zeeschildpadden (hier de onechte karetschildpad) die te dicht bij de waterlijn zijn begraven worden door onderzoekers opgegraven en geteld (boven) en elders herbegraven (onder).
 
 

Wetenschappers vermoeden dat een groot deel van de schildpadden binnen enkele decennia verdwenen zal zijn als gevolg van menselijk handelen. Om dit te voorkomen worden schildpadden, met name de sterk bedreigde soorten, beschermd op zowel lokaal als internationaal niveau. De bescherming van de schildpadden bestaat uit het verbieden van de vangst en de handel van bedreigde soorten. Een aantal neststranden van in zee levende schildpadden worden bewaakt. Van sterk bedreigde soorten worden de eieren geraapt en in een broedmachine opgekweekt. De sterkst bedreigde soorten zijn alleen nog in dierentuinen te bezichtigen, omdat de natuurlijke populatie verdwenen is of slechts uit enkele individuen bestaat.

Vele landen hebben wetgeving ontwikkeld die het in gevangenschap mogen houden van soorten en de handel in schildpadden reguleert. De Convention on International Trade in Endangered Species of Wild Fauna and Flora (CITES) is het belangrijkste internationale verdrag dat de schildpadden wereldwijd beschermd. Daarnaast worden andere maatregelen genomen die de schildpadden beschermen, zoals het plaatsen van waarschuwingsborden voor het verkeer. De netten van visserijschepen op zee, waar vaak in zee levende schildpadden als bijvangst in terechtkomen, worden aangepast om de dieren te ontzien. Dit worden turtle excluder devices genoemd, afgekort TED's, wat vrij vertaald kan worden als schildpad-werende vangstmethoden. Dit is enigszins vergelijkbaar met andere beschermde zeedieren zoals dolfijnen, waarvoor eveneens meer diervriendelijke vangstmethoden zijn ontwikkeld die bijvangst moeten voorkomen.

Met name de familie van zeeschildpadden (Cheloniidae) zijn bij het grote publiek bekend als bedreigd, onder andere door intensieve campagnes van natuurorganisaties, van de zes soorten zijn er 5 bedreigd. In vergelijking met andere schildpadden valt het met de zeeschildpadden echter nog wel mee; van de 25 sterkst bedreigde soorten schildpadden behoort er niet één tot deze groep. Een van de soorten die op de rand van uitsterven staan en in het wild al niet meer voorkomt, is de Yangtze-weekschildpad (Rafetus swinhoei). Van deze soort worden er nog zes individuen in gevangenschap gehouden, het recentste in het wild gevangen exemplaar werd in 1972 opgevist.

Naast grootschalige, vaak door de overheid gesteunde projecten zijn er tevens veel particuliere initiatieven om schildpadden te beschermen, zo doneerden in 2004 de leden van de Nederlands-Belgische schildpaddenvereniging (NSV) 2450 euro aan het Het Cuc Phuong Turtle Conservation Centre in Vietnam. Hier worden de eieren uitgebroed van onder andere de Annam-waterschildpad (Mauremys annamensis), de Aziatische doornschildpad (Cuora mouhotii), dereuzenaardschildpad (Heosemys grandis), de achterindische doosschildpad (Cuora galbinifrons) en de geelkoplandschildpad (Indotestudo elongata).[33]

 
Zie ook[bewerken]

Schildpadden in gevangenschap[bewerken]

Schildpadden worden wel als huisdier gehouden, sommige soorten zijn erg populair. De verzorging wordt echter vaak onderschat, waardoor de dieren wegkwijnen en sterven. Het voedsel is niet altijd goedkoop; met name juveniele exemplaren hebben veel voedsel en vitaminen nodig. Krijgen ze deze onvoldoende binnen dan veroorzaakt dit blindheid (vitamine A-gebrek) of wordt het schild niet goed ontwikkeld wat al snel fataal is (calciumtekort). Bovendien zijn dieren die in het wild zijn gevangen vaak al verzwakt door het transport en de stress en zijn niet zelden besmet met parasieten die zich in een kunstmatige leefomgeving explosief kunnen vermenigvuldigen. Niet alleen voor de schildpad is dit gevaarlijk, maar ook voor de eigenaar! Een beruchte parasiet isSalmonella, die gevaarlijk kan zijn voor mensen met een verzwakt imuunsysteem, kinderen en zwangere vrouwen.

Net als alle reptielen zijn schildpadden koudbloedig, ze zijn erop ingesteld om zo min mogelijk te bewegen, waardoor ze al snel saai worden. Zeer jonge schildpadden zijn weliswaar actiever en zwemmen druk rond maar dit gedrag verdwijnt al snel. Ook is de koper er zich vaak niet van bewust dat schildpadden gemakkelijk 20 jaar oud kunnen worden, landschildpadden zelfs een veelvoud hiervan. Op onderstaande afbeelding van de Moorse beekschildpad is te zien dat er tussen de lengte van een juveniel exemplaar en die van volwassen exemplaar een groot verschil is, hoewel dit afhankelijk is van de soort. Wat betreft de levenswijze zijn de schildpadden te verdelen in drie groepen:

De meeste in de handel aangeboden dieren zijn in het wild gevangen exemplaren. Vrijwel alle soorten schildpadden zijn niet meer algemeen en veel soorten worden zelfs in hun voortbestaan bedreigd. De aanschaf van een in het wild gevangen dier heeft een directe negatieve invloed op de natuurlijke populatie. Nakweek-exemplaren, die in gevangenschap geboren zijn, zijn vaak wat meer gewend aan de mens, vrij van parasieten en schaden bij aanschaf de natuurlijke populatie niet. Nadeel is echter de veel hogere prijs, die veel mensen afschrikt maar de serieuze liefhebber van schildpadden natuurlijk niet weerhoudt.

De handel in exotische dieren wordt samen met de Aziatische schildpaddencrisis en de wereldwijde habitatvernietiging beschouwd als de grootste bedreiging voor de schildpadden. Aan de andere kant worden er steeds meer schildpadden in gevangenschap op een professionele manier gehouden en succesvol gekweekt. Inmiddels blijkt dat deze sector een grote bijdrage levert aan het behoud van diersoorten en er een ex-situ back-up populatie ontstaat. Door het bijhouden van stamboeken wordt de genetische variatie in stand gehouden. De handel in schildpadden wordt internationaal geregeld door afspraken, welke staan in de CITES (Convention on International Trade in Endangered Species of Wild Flora and Fauna).

Moerasbewoners[bewerken]

 
Moorse beekschildpad juveniel en uiteindelijke grootte.
Families Geoemydidae, Emydidae, Chelydridae, Kinosternidae

Dit is veruit de populairste en bekendste groep, waartoe de meeste aangeboden soorten behoren. Moerasschildpadden leven in het water, maar komen er vaak uit om te zonnen waardoor ze in vergelijking met andere soorten redelijk actief zijn. Moerasschildpadden worden over het algemeen niet zo groot, maar er zijn uitzonderingen. Hierdoor wordt de behuizing van de schildpad vaak veel te klein ingeschat. De dieren kunnen, zelfs als ze nog heel klein zijn, het best in een groot aqua-terrarium worden gehuisvest. Het is waar dat de meeste soorten klein blijven in een te kleine behuizing, maar dit is niet goed voor de schildpad. Als ze groter worden (tot ongeveer 20-30 centimeter) moet een andere behuizing worden gezocht. Het aqua-terrarium moet een landgedeelte hebben dat beschenen wordt door een lamp om te kunnen zonnen, sommige soorten zonnen trouwens niet. Schildpadden zijn gevoelig voor tocht en kunnen daar ziek van worden, moerasschildpadden zijn hier extra gevoelig voor omdat ze zowel in water als op het land leven. Ook is het zeer regelmatig verversen van het water heel belangrijk, omdat de dieren vleeseters zijn en hun behoefte in het water doen wordt dit snel vuil en gaat stinken. Vervuild water zorgt voor infecties aan onder andere de ogen, de luchtwegen en het schild. Ook hier geldt dat een slechte verzorging niet alleen gevaarlijk is voor de schildpad maar ook voor de verzorger.

Bekende soorten: Geelwangschildpad - Onechte landkaartschildpad - Geelbuikschildpad - Roodbuiksierschildpad - Roodwangschildpad (bedreigd) -Landkaartschildpad - Moorse beekschildpad - Muskusschildpad (nachtactief) - Bijtschildpad (gevaarlijk) - Diamantrugschildpad - Florida sierschildpad -Indische dakschildpad - Chinese driekielschildpad - Kaspische beekschildpad - Japanse waterschildpad.

Landbewoners[bewerken]

 
Vierteenlandschildpad aan de maaltijd.
Familie Testudinidae

Landschildpadden kunnen in een ruim, afgesloten terrarium worden gehouden, maar worden doorgaans in een grote glazen bak op de vloer gehuisvest, die aan de bovenkant open is. Landschildpadden hebben een grote behoefte aan warmte maar deze wordt in een gesloten bak moeilijk afgevoerd. De bak wordt zo geplaatst dat tocht geen enkele kans krijgt. Landschildpadden kunnen ook in een buitenterrarium worden gehuisvest maar hier zitten een aantal haken en ogen aan, zoals honden en katten van de buren en diefstal. Boven het verblijf worden lampen geïnstalleerd voor de benodigde warmte, alle landschildpadden leven in warme tot woestijnachtige gebieden. Landschildpadden hebben als voordeel dat ze meestal slecht tegen vocht kunnen en in een droge omgeving leven waardoor de bak gemakkelijk schoon te houden is. Ook zijn het vrijwel allemaal planteneters die leven van grassen en bladeren, ander voedsel als fruit en vlees wordt ook aangenomen maar zijn niet goed voor de schildpad. Een nadeel van landschildpadden is dat ze zeer prijzig zijn, de goedkopere soorten kosten al rond de €100 per stuk.

Bekende soorten: Kolenbranderschildpad - Panterschildpad - Gespoorde platte schildpad - Geelkoplandschildpad - Stekelrandklepschildpad - Spleetschildpad- Egyptische landschildpad - Vierteenlandschildpad - Griekse landschildpad - Moorse landschildpad - Klokschildpad - Braziliaanse reuzenschildpad.

Waterbewoners[bewerken]

 
De langnekslangenhalsschildpad in een aquarium.
Families Chelidae, Pelomedusidae, Podocnemididae, Trionychidae

Een aantal schildpadden is zo sterk op het water aangepast dat ze er nooit uitkomen, ook niet om te zonnen. Deze soorten hebben vaak een gespecialiseerde levenswijze en kunnen beter niet door een beginner worden aangeschaft. Typische waterbewoners zijn de weekschildpadden, die zich vanwege het weke schild en korte pootjes behalve voor de afzet van de eitjes nooit op het land begeven. Sommige halswenders of Pleurodira, de groep van schildpadden met een zeer lange nek, komen niet vaak uit het water, zoals de slangenhalsschildpadden. Vrijwel alle waterschildpadden kunnen of moeten in dieper water worden gehouden in een groot aquarium. Aan de waterkwaliteit worden strenge eisen gesteld, die afhankelijk zijn van de soort. Sommige soorten leven in koeler of stilstaand water, andere in juist warmer of stromend water. Met name sterk afwijkende temperatuurverschillen leiden al snel tot ziektes. Veel soorten zijn nachtactief en rusten overdag. Het verversen en schoon houden van het water is zeer belangrijk.

Bekende soorten: Roodbuikspitskopschildpad - Braziliaanse slangenhalsschildpad - Langnekslangenhalsschildpad - Doornrandweekschildpad - Argentijnse slangenhalsschildpad - Matamata.

Evolutie[bewerken]

 
Het skelet van Archelon, een tot vier meter lange in zee levende schildpad uit hetKrijt

Schildpadden zijn meer dan 200 miljoen jaar geleden ontstaan, maar wanneer precies is niet geheel duidelijk. Ze hebben zich wellicht al in het vroeg-Trias afgesplitst en kwamen al voor toen er nog geen dinosauriërsrondliepen.[7] Omdat de gezamenlijke voorouder van de moderne groepen al 210 miljoen jaar geleden leefde, zijn de eerste schildpadden waarschijnlijk nog ouder.[9] Als Eunotosaurus een schildpad is, zou de groep zelfs zo oud zijn als het middelste Perm, zo'n 260 miljoen jaar.[34]

De voorvaderen van de schildpadden leken op hagedissen. Tijdens de evolutie van de schildpadden ontwikkelde zich een stevig schild en werden hun kaken tandeloos. De eerste schildpadden leefden in zee en hadden tanden maar nog geen dubbel rugschild. Daarna moeten de landschildpadden het water weer verlaten hebben. Ze ontwikkelden zich tot grote en logge reptielen met een grote schedel en een bepantserde rug. Ze zagen er vervaarlijk uit, maar leefden waarschijnlijk vegetarisch en waren slome grazers.

Schildpadden behoren net als alle landbewonende viervoeters tot de Amniota en werden op basis van hun schedelkenmerken lange tijd ingedeeld bij de Anapsida. Dit is een oude groep van reptielen die haar naam te danken heeft aan het ontbreken van vensters in het slaapbeen (an- apsida betekent geen-opening).[7] In deze indeling zijn de schildpadden de enige moderne groep van de Anapsida, alle andere anapsiden zijn al sinds hetPerm uitgestorven. Alle overige reptielen hebben openingen in de schedel achter het oog zoals de Diapsida, waartoe ook de vogels worden gerekend, en de Synapsida, waartoe de zoogdieren behoren.

Fylogenetische studies wijzen echter niet op een afstamming vanuit de Anapsida. Volgens deze nieuwe inzichten behoren de schildpadden tot de Diapsida, ondanks het ontbreken van de openingen in de schedel.[35] Soorten binnen de Diapsida waarvan de vensters gedurende de evolutie zijn dichtgegroeid komen wel meer voor.

De groep heeft zich wellicht al vroeg van de andere diapside reptielen afgesplitst, waardoor schildpadden niet direct verwant zouden zijn aan alle andere moderne groepen van reptielen. Dit zou dan ook ten dele de totaal andere bouw en levenswijze van de schildpadden verklaren. Het is echter ook mogelijk dat de schildpadden nauwer aan de hagedissen of juist aan de krokodillen en vogels (Archosauria) verwant zijn. De laatste onderzoeken zijn niet met elkaar in overeenstemming maar de meeste wijzen sterk in de richting van de mogelijkheid dat de schildpadden zelf tot de Archosauria behoren,[36] of althans tot de wat ruimere Archosauromorpha.[37] In 2015 werd een 240 miljoen jaar oude mogelijke schildpad beschreven, Pappochelys, waarvan de kenmerken erop wijzen dat hij tot Lepidosauromorpha behoort en dus nauwer verwant is aan de hagedissen.[38]

Enkele bekendere uitgestorven soorten zijn Protostega van drie meter lang en Archelon die een lengte van vier meter kon bereiken. Beide soorten leefden in zee tijdens het Late Krijt. De vroegst bekende schildpad is Proganochelys, die echter al een op schildpadden gelijkende bouw had waardoor vermoed wordt dat deze soort al vrij ver ontwikkeld was. Proganochelys kon de kop niet in het schild terugtrekken, had een lange nek en een lange stekelige staart die eindigde in een verdikking die doet denken aan de Ankylosauriërs.

Naamgeving en taxonomie[bewerken]

De wetenschappelijke naam Testudines is afkomstig uit het Latijn en is afgeleid van testudo wat schild betekent. Dit begrip wordt ook gebruikt voor de Romeinse legerformatie Testudo waarbij de legionairs zich zo opstelden dat ze tezamen één schild vormden.

De Nederlandse naam schild-pad is wat verwarrend, omdat padden tot de amfibieën behoren en niet verwant zijn aan schildpadden. Het Nederlandse woord schildpad is afgeleid van het laat-Middelnederlandse sciltpadde, en refereert aan de pad-achtige kop van de dieren en het duidelijke schild waarin het lichaam verborgen zit. In het Middelnederlands werd schildpadde de gebruikelijke spelling.[39] In het Duits worden schildpadden schildkröten genoemd, kröte betekent pad.

Verschillende andere dieren en planten die op de een of andere manier aan schildpadden doen denken zijn naar schildpadden vernoemd. Voorbeelden zijn de schildpadtor (Cassina viridis), een kever die zijn poten en antennes onder zijn dekschilden kan trekken, de in zee levende slak Tectura testudinali wordt wel schildpad-schotelhoren genoemd vanwege een gevlekte, platte schelp. De schildpadbloem (Chelone) dankt de naam aan de vorm van de afgeplatte, eivormige bloem, die doet denken aan de kop van een schildpad met geopende bek.

Taxonomie[bewerken]

 
Een model van hoe een schildpad er over 100 miljoen jaar uit zou kunnen zien, uitFuturoscope. Het futuristische dier wordt beschreven als 7 meter hoog en zou een gewicht bereiken van 12 ton.

De schildpadden worden net als andere dieren ingedeeld in verschillende groepen en subgroepen, zoals families, onderfamilies en geslachten. Door het ontdekken van nieuwe (genetische) eigenschappen verandert deze indeling echter regelmatig. Er zijn momenteel 313 verschillende soorten schildpadden bekend en meer dan 450 ondersoorten.[40] Van sommige soorten zijn de ondersoorten juist bekender, de roodwangschildpaden de geelwangschildpad zijn hier een voorbeeld van. Het zijn twee ondersoorten van dezelfde soort: delettersierschildpad.

De verschillende soorten zijn ingedeeld in families, die uiterlijk enigszins in vorm, grootte en kleuren kunnen verschillen maar allemaal duidelijk als schildpad herkenbaar zijn. Een aantal families is relatief onbekend, sommige families zijn wel wat bekender zoals de weekschildpadden met hun zachte schild en de landschildpadden die soms heel groot worden.

De orde schildpadden bestaat tegenwoordig uit twee onderordes, 5 superfamilies en 13 families, alle soorten uit een derde onderorde, Paracryptodira, zijn uitgestorven. Niet alle moderne families worden als zodanig erkend en soms worden juist onderfamilies als familie beschouwd. Een voorbeeld zijn de familiesscheenplaatschildpadden en Podocnemididae, die ook wel als één enkele familie worden gezien.[41]

Families van schildpadden[bewerken]

Onderstaand een korte lijst van families van schildpadden, zie voor een uitgebreide tabel met een korte beschrijving en een voorbeeldsoort met afbeelding per familie de lijst van families van schildpadden.

Orde Testudines

Onderorde Cryptodira (Halsbergers)Superfamilie ChelonioideaFamilie Zeeschildpadden (Cheloniidae)Familie Lederschildpadden (Dermochelyidae)Superfamilie ChelydroideaFamilie Bijtschildpadden (Chelydridae)Superfamilie KinosternoideaFamilie Tabascoschildpadden (Dermatemydidae)Familie Modder- en muskusschildpadden (Kinosternidae)Superfamilie TestudinoideaFamilie Moerasschildpadden (Emydidae)Familie GeoemydidaeFamilie Grootkopschildpadden (Platysternidae)Familie Landschildpadden (Testudinidae)Superfamilie TrionychoideaFamilie Nieuw-Guinese tweeklauwschildpadden (Carettochelyidae)Familie Weekschildpadden (Trionychidae)Onderorde Pleurodira (Halswenders)Familie Slangenhalsschildpadden (Chelidae)Superfamilie PelomedusoideaFamilie Scheenplaatschildpadden (Pelomedusidae)Familie Podocnemididae

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

  • Schildpaddennetwerk - Schildpadden Website Nederlandstalige informatie over schildpadden.
  • (en) Tree of Life - Turtles - Website - Algemene informatie
  • (en) Turtle Conservation Fund - Turtle Conservation - Website Over de bescherming van schildpadden.

Bronvermelding[bewerken]

Referenties

  1. Omhoog naar:a b c d e f g h i j k Grzimek, Bernhard, Het leven der dieren deel VI: Reptielen, Kindler Verlag AG, 1971. ISBN 90 274 8626 3.
  2. Omhoog↑ Amphibiaweb - How many species - Website
  3. Omhoog↑ Natuurhistorisch Museum Rotterdam - Fossiele resten van de Europese moerasschildpad Emys orbicularis (Linnaeus, 1758) uit de omgeving van Tegelen, Nederland - Website
  4. Omhoog↑ Cebra-Thomas et al - How the Turtle Forms its Shell: A Paracrine Hypothesis of Carapace Formation - Website
  5. Omhoog naar:a b Animal Diversity Web. Chelydra serpentina - Snapping turtle
  6. Omhoog↑ Animal Diversity Web - Pig-nosed Turtle (Carettochelys insculpta) - Website
  7. Omhoog naar:a b c Keith Pecor - Animal Diversity Web. Testudines
  8. Omhoog↑ Tree Of Life - Peter A. Meylan - Testudines - Website
  9. Omhoog naar:a b c d Peter A. Meylan. Testudines: Turtles, tortoises and terrapins
  10. Omhoog↑ Answers.com - Patrick J. Baker - Testudines (turtles and Tortoises - Website
  11. Omhoog↑ Malia Lois Schwartz, University of Rhode Island - Anoxia tolerance and recovery in freshwater and marine turtles - Website
  12. Omhoog↑ Mary Anderson Cohen - Russian Tortoise (Testudo horsfieldii) - Website
  13. Omhoog↑ Smith et al - Gopher tortoise burrow surveys: External characteristics, burrow cameras, and truth - Website
  14. Omhoog↑ Turtles of the World - Erymnochelys madagascariensis - Website
  15. Omhoog↑ Center for Reptile and Amphibian Conservation and Management - Wood TurtleGlyptemys insculpta - Website
  16. Omhoog↑ Turtles of the World - Macrochelys temminckii - Website
  17. Omhoog↑ Encyclopaedia Britannica - Turtle - Website
  18. Omhoog↑ Crocodilians - Natural history and Conservation - Crocodylus rhombifer - Website
  19. Omhoog↑ Critterzone - Common Snapping Turtle, Chelydra serpentina - Website
  20. Omhoog↑ VietNamNet Bridge - Hoan Kiem Lake Turtle: from myth to reality - Website
  21. Omhoog↑ Softpedia - Stefan Anitei - The Longest-Lived Animals Ever Recorded - Website
  22. Omhoog↑ BBC News - 'Clive of India's' tortoise dies - Website
  23. Omhoog↑ Duiken.plein.nl - Lederschildpad - Website
  24. Omhoog↑ Turtles of the World - Homopus signatus (Speckled padloper) - Website
  25. Omhoog↑ Turtles of the World - Lepidochelys kempii - Website
  26. Omhoog↑ Australian Department of the Environment, Water, Heritage and the Arts -Pseudemydura umbrina — Western Swamp Tortoise Website
  27. Omhoog naar:a b Turtlesurvival.org. Top 25 Turtles on Death Row
  28. Omhoog naar:a b c Encarta. Turtles
  29. Omhoog↑ University of Western Sydney - Feral turtle found in Sydney - Website
  30. Omhoog↑ Galapagos Online - Galapagos Tortoises - Website
  31. Omhoog↑ Pet Turtle Care - Turtles - Website
  32. Omhoog↑ Antaeus (Chinese producent van schildpaddenvlees) - Products - Website
  33. Omhoog↑ Nederland-Belgische Schildpadden Vereniging (NSV) - Het Cuc Phuong Turtle Conservation Centre in Vietnam – voortgangsrapportage - Website
  34. Omhoog↑ Walter G. Joyce, 2015, "The origin of turtles: A paleontological perspective",Journal of Experimental Zoology Part B: Molecular and Developmental EvolutionDOI: 10.1002/jez.b.22609
  35. Omhoog↑ Tree Of Life - Michel Laurin & Jacques A. Gauthier - Diapsid Phylogeny - Website
  36. Omhoog↑ Jonathan J. Fong, Jeremy M. Brown, Matthew K. Fujita & Bastien Boussau, 2012, "A Phylogenomic Approach to Vertebrate Phylogeny Supports a Turtle-Archosaur Affinity and a Possible Paraphyletic Lissamphibia", PLoS ONE 7(11): e48990
  37. Omhoog↑ Nicholas G. Crawford, James F. Parham, Anna B. Sellas, Brant C. Faircloth, Travis C. Glenn, Theodore J. Papenfuss, James B. Henderson, Madison H. Hansen & W. Brian Simison, 2014, "A phylogenomic analysis of turtles", Molecular Phylogenetics and Evolution DOI: 10.1016/j.ympev.2014.10.021
  38. Omhoog↑ Schoch, Rainer R.; Sues, Hans-Dieter, 2015, "A Middle Triassic stem-turtle and the evolution of the turtle body plan", Nature doi:10.1038/nature14472
  39. Omhoog↑ Jan de Vries, F. “de” Tollenaere, Maaike Hogenhout-MulderJan de Vries, F. “de” Tollenaere, Maaike Hogenhout-Mulder - Nederlands etymologisch woordenboek -Website (directe link)
  40. Omhoog↑ Peter Uetz & Jakob Hallermann. The Reptile database
  41. Omhoog↑ ITIS - Integrated Taxonomic Information System - Testudines - Website

Bronnen

  • (en) Animal Diversity Web - Testudines - Website (Algemene informatie)
  • (en) C.H. Ernst, R.G.M. Altenburg & R.W. Barbour - Turtles of The World - Website (een beschrijving van alle soorten schildpadden)
  • Bernhard Grzimek - Het leven der dieren deel VI:Reptielen - ISBN 90 274 8626 3 - Kindler Verlag AG - 1971 (Algemene informatie)
  • (en) The Reptile database - Website (Taxonomie van de schildpadden)
  • (en) Fritz, U. & P. Havaš (2007) Checklist of Chelonians of the World Website (Taxonomie van de schildpadden)
  • (en) John Hutchinson - Introduction to Testudines: The Turtles - Website (Algemene informatie)
  • (en) Peter A. Meylan - Testudines: Turtles, tortoises and terrapins - Website (Algemene informatie)
  • (en) Crocodilians - Natural History & Conservation - Website (Krokodilachtigen)
  • (en) World Turtle Database - Website
  • (en) University of California Museum of Paleontology (UCMP) - Testudines - Website (Algemene informatie)
  • Stichting Schildpad (algemene informatie, schildkenmerken, records)
Dit artikel is op 17 februari 2009 in deze versie opgenomen in de etalage.
 
 

Navigatiemenu

'

Maak jouw eigen website met JouwWeb